Vind een (dialect)woord

Toon woorden

Op de kaart

Op deze kaart staan 141 dialectwoorden voor `Opschieten`. Zoom in of verschuif de map om ze beter te zien. Klik op een woord om de naam van het dialect te zien.
Hier zijn 10 willekeurige andere dialectwoorden : beschadigen (27x) : direct (67x) : vrachtwagen (46x) : loop naar de maan (27x) : onkruid (111x) : afstandsbediening (51x) : drie (101x) : Dikke nek (24x) : huis (249x) : als je (34x)



50 vertalingen voor het Nederlandse woord `Opschieten`

  1. opschieten = aprentie maken (Oirschots)
  2. opschieten = aanpeerdjen (Westerkwartiers)
  3. opschieten = Dommeneere (Flakkees)
  4. opschieten = aevesére (Katwijks)
  5. opschieten = affeceren (Kaatsheuvels)
  6. opschieten = affeceren (Budels)
  7. opschieten = affeceren (Waalwijks)
  8. opschieten = affeceren (Hooge mierds)
  9. opschieten = affeseere (Boekels)
  10. opschieten = affeseern (Kortemarks)
  11. opschieten = affeséére (Roosendaals)
  12. opschieten = affesere (Flakkees)
  13. opschieten = affesere (Bergs)
  14. opschieten = affeseren (Zottegems)
  15. opschieten = affeseren (Bosch)
  16. opschieten = affeseren (Gents)
  17. opschieten = affeseren (Moes)
  18. opschieten = anmaakn (Twents)
  19. opschieten = anmaakn (Enschedees)
  20. opschieten = anmaken (Drents)
  21. opschieten = anmaken (Nunspeets)
  22. Opschieten = Anmaak'n (Hierdens)
  23. opschieten = anmökn (Drents)
  24. opschieten = anpouke, deurgaan. (Westfries)
  25. opschieten = apperensie moake (Boekels)
  26. opschieten = aveceren (Westlands)
  27. opschieten = àveseren (Hulsters (NL))
  28. opschieten = avvenseere (Geuls)
  29. opschieten = mee gang (Tilburgs)
  30. opschieten = mènsie maoken (Tilburgs)
  31. opschieten = ofmaken (Volendams)
  32. opschieten = opsjeete (Mestreechs)
  33. opschieten = opskiete (Helmonds)
  34. opschieten = ruivelen (Katwijks)
  35. opschieten = spoeien (Tilburgs)
  36. opschieten = vort doen affeseeren (Brabants)
  37. opschieten = vortmoak'n (Westerkwartiers)
  38. opschieten = wèèrbiejen (Zunderts)
  39. opschieten = afeseren (Bosch)
  40. opschieten = affeceren (Epers)
  41. opschieten = affeseren (Bredaas)
  42. opschieten = affesére (liessents)
  43. Opschieten = Akkerdere (Zurriks)
  44. opschieten = anmaakn (Rijssens)
  45. opschieten = aanmaak'ng (Deventers)
  46. opschieten = anmakn (drents)
  47. opschieten = apperentie make Avveseere (liessents)
  48. opschieten = plakke (Zummers)
  49. opschieten = affeceren (Zeeuws)
  50. opschieten = avveseren (Haarsteegs)


1 vertalingen voor het dialectwoord `Opschieten`

  1. opschieten = avaseren (Herwijns)