Diems

Dialecten > Gelderland > Diems

Diems wordt gesproken in Didam Diems bevat 27 gezegden, 510 woorden en 3 opmerkingen. Alle woorden zijn toegevoegd door onze bezoekers.

PDFLog in

27 gezegden

Als de ooievaar op 1 been staat is die zwangerAtte ooievaer op 1 been steet isse nie meer maagd
dat is me er eentjewa'n falderabbes
ergens inrijden, tegenaan rijdeninstoeken, tegenan stoeken
het smaakt niet't smik nie:t
Hij heeft een verkeerde beslissing genomen; is aan hemzelf te wijtenHi'j hèt zich 'n luu:s in de kraag gepoa:t
hij is gek gewordenhi'j hèt 'n tik met de wiksbössel gehad
iemand met een hele grote neusdèn het een neus veur de kop doar ku'j een vèrke met bére
Iets dat goedkoop isDa's van de billige Jacob
Ik heb in mijn broek gepoeptIk heb in mien boks gedretten
ik zit in de tochtik zit in de trek
je heb geknoeit met sap op jouw klerende soeter drif ow oaver de ves
jij bent gekgi'j heb 't goedwies kapot
komt niet zo preciesstik 'm nie zo net
maakt niet uitmik niks
met iets kleins wat groters proberen te bemachtigenmet 'n metwos noar 'n zi'jen spek gooien
Nee, U!Nee, gi-j!
Te droog om op te etenZo dreug as 't kuntje van Sintekloas
van kwaad tot ergerhi' j lup van de gavel in de greep
Veel geldTiet geld
volle buikmutvol, aangelaaje, een bult aan de buuk gegè:en
Waarmee kan ik u van dienst zijnWaor kank ow met helpen
wat denk je zelfWa denk ie eiges
Wilt u stoppen met uw storende gedragHej weleens een aldernaas posje smeer gehad
Zalig nieuwjaar toewensenHet ni'j joar afwinne
zat zijnkats van de kaart
Ze is onverwacht zwanger gewordenHet is eur op de emmer gevrore
zijn ze vermogend?hoevol röppels hemme ze op stal? / hoevöl melktuite stoan d'r aan de weg?

510 woorden

(hooi) vorkgavel
(mest) vorkgreep
(om) ruilen (um) toesje
's avondssaoves
's morgenssmerges

A

aangeklitte familie, groepproempotteri'j
aardappelenearpels
aardbeieneardbèe:sen
achterdeurechterdeur
achterdeurechtedeuë
ademaosem
ajuutjuus
allemaalallemaol
alsas
ankeraok
ArnhemArem
AzewijnAzem

B

bankjebengske
bedheija, lappekas
bedrijvigheidbedrie:vigheid
BeekBèe:k
beetjebitje / bietje
begrafenisbegrèffenis
beidebei'je
bemoeienisbemuujenis
benbun
Ben je gek gewordenBu'j ow goe wies verlor'n
bezembessem
bezoekbezuu:k
BiddenBèejen
bierpoemel
bieslookpiepkeslook
bigkeu:je
bijbelbie:bel
bijdehand, scherpkiepig
bijlbiel, hiepke
bijnabi 'jnao
bijten, beet, gebetenbiete, bit / bet, gebette
bijzonderbizunde
bikkelhardknaoke had
blaadjeblaedje
blaarbloar
blaffenblökke
blazenblaose
blijkenblieke
blijvenblie-ve
blijvenblie:ve
bloedbloe:d
bloeienblöo:je
bloemetjesbluumpkes
boekjebuukske
boerderijboederi' j
boeren (werkwoord) bökse
boerenkoolmoe:s
boksik
bomenbeum
bonen doppenbone rangen
bordbod, telder
borstenbös
bosjeböske
boterbòtter
boterhambòtteram
bottenknöok
bradenbraoje
bramenbrombèesen
bretelsgallege
broekboks
broekspijpbokspie-p
broekzakboksetès
broerbruur
broertjebruurke
brokkenbrök
broodjebreudje
bruiloftbrulluf
bruinbruun
brutaalfreg
buikbuuk
buikbuuk, pens, prul
buitenbuuten

D

daardoar
dadelijkdaluk
dansen, feesten, plezier makendaldéeje
darmderm
Dat is goed.In odder!
deeldeal
dekseldekkel
deukdut
dezedisse
DiarreeDrieteri-j
DidamDiem
diedèn
dodendooie
doekjetötje, duukske
doen, deed, gedaandoe:n, dè' j, gedoan
DoetinchemDurkum
donderjagenjoegjachten
donkerduuste
dooiendöoje
doordeuë
doos / dozendeus
draaiendreaje
drijvendrie:ven
drinken (alcohol) pruu:ve
droogdreug
druifdruu:f
duidelijkduudeluk
DuivenDuu-ve
duizeligkruusdol

E

eendpielent
eiereneier
elendeélent
enormalderbastend
erg (niet erg) slim (nie slim)
ergensörges
ernaastd' r nèeven
erwtensoepa-te soep
eteneaten
evenefkes
expresextra

F

fijnfien
fijntjesfienekes
flauwekulkwats
fornuisfonnuus

G

gaan, ging, gegaangoan, gong, gegoan
gebruikenbruuke
GeitSik
gevelgèe-vel
gevoelgevuu-el
gewaar wordenvenemme
gezegdgezeit
gezelliggemuu-deluk
gezichtgevreat
gezichtsnuut
gindsgunt
gissenrikroaje
gladjanuspoetjakker
glijdengli'je
gooienfleren
gootsteengöot
gordijngedien
grasgres
grijpen, greep, gegrepengriepe, grop / grip, gegroppe
groengruu-n
Grote mondFregge bek

H

haakhoak
haar (bezit.voornaamw.) eur
hamschink
handenhand / knøk / peut
handjeshendjes
harenheur
heenhen, hee-ë
heenhen
heetheit
hekhekke
heleboelhelewis
helemaal nietganiet
helemaal van slagkats van de kaok
hemum
hetzelfde't eigeste
heuvelbult
hielhak
hijhi'j
hij heeft gelijkhi'j hèt geliek
hij kijkthi'j kik
hondenhund
hoofdpijnkoppien
HorenHeuren
horzel / daasknoas
houdenholden
hout, houterigholt, hölterig
huilenhuu:le / schreien
huishuus
huizenhuu:s

I

ijspegelsiesspielen
inschenkeninschudden
invoegen, aanrijdeninstoeken, tegenan stoeken

J

jajoa
jankenbelken, bleren
jarenJoaren
jeukjök
jijgi'j
jongentjejungske
jouwow
julliegillie, ollie
julliegillie
jurkkleed

K

KalfBollekalf (m) Moalekalf (v)
kauwenkèwwe
keelkèe:l
keerkier
kettingzaagkettingbiel
kijk, keek, gekekenkie:k, kek, gekekken
kikkerkikfos
kindblaag
kinderenkinders
kiptuut
klaarkloa
klaarmaken voor vertrekgangs make
Klein beetjeKletje
kliederen, kleien, knoeienklaaie
klieren, piepen, jammeren (meisje) geite
klokhuiskröos
KlokhuisKroos
klompenklump
kloofjekleufke
kniekni'j
knijpen, kneep, geknepenkniepe, knep, gekneppe
knoeienknooie
knoeienknooien
knopenkneu:p
knoppenknöp
koebeest
koekjekuukske
kokenkoake
konijnknie:n
kooitjekouwke
koolkappes
kopje koffiepötje koffie
koplampluchtekap
korst (brood) köske (brood)
kortste wegrichtste weg
kou (de) kel
koudkolt
koud (er) kold (e)
kraaikrèej
kreukelsknoefels
kruienkru'jen
kruimelskruumels
kruisbessenknolbèesen
kuikenkuuke
kuilkuu:l
kwaadgiftig, lilluk
kwaadgiftig

L

laarzenleers
laat (hij / zij) lut (hi'j / zi'j)
laat, gelatenloat, geloaten
laatsteleste
ladderleer
ladelaaj
lampjelempke
lepellèapel
levenlèave
levendigwierig
lezenlèaze
ligt, lag, gelegenlei, leit, gelè-ge
lijden, lijdtli'jen, li'jt
limonadesuuke-water
lopen, schrijdenstiefelen
luchtloch
luisluus
luisterenluustere
luizenluu:s

M

maanmoan
maar, maaremò, morre
makkelijkmèkkelijk
mankeäl
meemet
meisjedeerntje
meisjesvrollie
merelgie:tling
mesthoopmistvaalt, mothoop
mierenimde
mierenimden
mijnmien
Moedermoetje
moetenmotte
molenmöl
mondjemuuleke
mopperenblodderen
muismuus
muis / muizenmoes / muu:s

N

naadjenöodje
naald, naaldjenoald, nöoldje
naastné:ven
Naast iemand zittenLangs iemand zitten
Nagel (lichaam) Negel
neefnèe:f
nemennemmen, nom, genomme
netjes, opgeruimdkas (kasse boe-l)
Niet uit Didam komenGi’j bun een stadse
niet wijsnie wies
nieuwni' j
Nieuw-DijkD'n Diek, Ni-j Diek
NijmegenNimwè:gen
nodigneudig

O

OgenDöp (pen)
olieaolie
omum
omheinenvrachten
OmkledenOmtrekken
Onaangepast persoonHörk
onbenullig, lomponmundig
ongdefinieerde substantiegrei
ongesteldde regels
onnozelaarfalderabbes, onneuzele
ontzettendallebastend
onzinkwats
op schootop slip
Op voetbal zittenIk zit onder voetbal
openlos
openstaande deur; de kou komt binnendoa kump de zommer nie an in
opschietenanmaken
opschietenanmake
optillenopbeuren
oud / oudeold / olde
ouweolde
overoaver
overaloaveral
overgevenkotsen

P

paal1 (stuks) Paol 2 (stuks) Puol 3 (stuks) Pus 5- (stuks) Paol
paardpeerd
paard (en) peerd
paardenbloemkettingpol
pak slaagpossie smeer
palenpöol
papperig / stuk gekooktslèdderig
ParfumRuuk-Ruuk
peperpèe:pe
pijppiep
PikkedraadPikkedraod
pissebedkelderzeug
pit, temperamentfoemps
plakkenplekken
plankenplenk
plassenpissen, stoe:se
PlasticPlestik
plezierschik
PoepDriet
politiepik
poten (werkwoord) poa:te
PotlodenPotläöi

R

radenroaje
regenrè:gen
riekgreep
rijdenri'jen
rijden (scheuren) knappen
rijstries
rokkenrök
ruwrow

S

schaapschoap
schaapschäop
schaarschee-e
schaduwschum
schapenschöop
scheefschie:f
schijnselschie:nsel
schoen, schoentjeschoe:n, schuu:ntje
schoenenschoe:n
schoorsteenschossteen
schopschup
schorempruttel
schortschöt
schrapen van de keelkwalsteren
schuifschuu:f
schuif, schuiven, geschovenschoe:f, schuu:ve, geschoa:ve
schuifjeschuu:fke
schuimschuum
schuinschuuns
schuivenschuu:ve, schoe:ve
slaslaat
SlaanBateren
slaapkopdoe-ezeldop
slakkenslek
slapensloape
slapjanusdrietbuu-l
sleutelslöttel
slijmkwalster
slijpensliepe
Slingeren of langzaam fietsenSlakkeren
slobberen / drinkensötteren
smerig makenvesouwen
smijtensmieten
sneeuwsnee
snijdensni'je
snottebelsnottepie-l
snotterigpoeterig
snotterigslèdderig
sokkensök
speelgoedspölgrei
spekjesroepen
spelenspölle
spiegelspie:gel
spijkerspieker
spoelenspuu:le
spokenspoe:ke
SpreeuwSpraw
spruitenspruutjes
spugenspi'jen
spullen / goederengrei
staanstoan
staartstat
staatsteet
stampot boerekoolmoes (maus)
steken, steekt, stak, gestokenstè-ke, stik, stoak, gestoake
stenensteen
stierbol
stijle helling, scherpe bochtstikke helling, stikke bog
stoelenstuul
stoelenstuül
stofzuigerhuulbessem
StokkumStökkum
straal, straaltjestroal, ströoltje
straatstroat
strijkenstrieken
stropenstreupe
struikenstruuk
stuivenstoe:ven
stuivenstoe:ve, stoe:ft, gestoa:ve
stuk houtend holt
suikersuuke
suikerbietsuukeruu:f
SuikerbietenSuukerruu:fsukeruve

T

tafeltoafel
tafel, tafeltjetoafel, töofeltje
tafeltjetöafeltje
takken (boom) tèk
te koop lopen / uitdagend iemand de ogen uitstekenspelleken
teen, tenentee
tevredentevrèe:j
theezakjetee buu:ltje
tijdtied
touwtjetöwke
traan, traantjetroan, tröontje
trappentrèe:je
trappen (fiets) knèe:je
trappetjetrepke
truitru'j
tuinhof
tutjetoe:tebel

U

uienlook
uituut
uitdijenuutdi'je
uitkafferenuutfoeteren

V

vaakduk
vaatdoekschottevodje
vaatdoekschotteslet
vadervatje
vals spelensteggele
van hier tot daarhier bis doar
VarkenPoetje
vegenkeren
venstervinste
ver, verder / wijderwiet, wieër
verbiedenvebaoje
vergietdeurslag
verkeerd omkrang
verkeringkennis hebben aan
verkoudenvekelt, poeterig
verslikkenvesloeke
versmerenveslonsen
viesvie:s
vies persoonpoetje
vieze vrouwslons
viezigheiddrek
vingersfikkes
vleesfleis
vlegelvlèegel
vliegenvlie:ge, vlug, gevlaoge
vliegtuigfliegmasjien
vloekenvluu:ke
voetenvuu:t
voorveur
voordeurvö-deuë
voordeurvödeue
vorkvörk, gavel
vreemdvremd
vreet (hij / zei) vrit
vretenvreaten
vriend, vriendenkammeraod, kammeröo-j
vrijen (kussen en knuffelen) vri'je, smoe:se
vroegvrog
vrouwwief, frommes, mins

W

waarwoa
waardweert
wasknijperwaspin
wasmandwasben
weggaanvot goan
WehlWèe:l
wespwips
wetenwette
wiel, wielenrad, rea-j
wieltjereadje
wijwi'j
woestwuu:st
worst, worstjewos, wöske
wrijvenvrie:ve
wroetenvruu:te

Z

zaad / zaadjezoad / zöodje
zaktoe:t
zakjetuu:tje
zeemzemelap
Zeer stilMuuskes stil
zei (hij / zij) zeit
zemelaarziemel
zeugzog
zeurennöo:len
ZevenaarZaender
zevenaarder (iemand uit Zevenaar) 'n Zaenderse
zichzelf opwindenzig opri'je
zijzi' j
zij (meerv.) sillie
zij (meisje) hi'j
zijnsun
zomerzommer
zondesunt
zoutzalt
zusjezuske
zuurzoe:r
zwaarzwoar
zwartswat

3 opmerkingen

  1. 1 Paal = 1 paol
    2 Palen = 2 päöl
    meer dan 2 = bijv. 3 päös - (te)
    Zie het WALD.
  2. Diem (Didam) ligt in de streek de Liemers. Diem bestaat uit de kerkdorpen Loil en Nieuw-Dijk en de buurtschappen Oud-Dijk, Greffelkamp en de Heegh.
  3. voorbeeld:Je hebt de trui binnenste buiten aan.
    Gi'j het dèn tru'j krang.