Vind een (dialect)woord

Toon woorden

Op de kaart

Op deze kaart staan 145 dialectwoorden voor `slaan`. Zoom in of verschuif de map om ze beter te zien. Klik op een woord om de naam van het dialect te zien.
Hier zijn 10 willekeurige andere dialectwoorden : 's middags (44x) : oorworm (32x) : kerk (127x) : klei (30x) : pijp (76x) : kotsen (33x) : beest (54x) : zult (26x) : 's avonds (76x) : groente (55x)



50 vertalingen voor het Nederlandse woord `slaan`

  1. slaan = pave/houwe/sjlaon (Tegels)
  2. slaan = battere (Kinroois)
  3. slaan = battern, baffn, desschn, kardjassn (Kortemarks)
  4. slaan = beuken (Westfries)
  5. slaan = sloan (Kortrijks)
  6. slaan = haauwen (Gronings)
  7. slaan = hooë; slon (Bilzers)
  8. slaan = houw'n (Twents)
  9. slaan = houwe (Sjilvends)
  10. slaan = houwe (Kerkraads)
  11. slaan = houwe (Sittards)
  12. slaan = houwe (Geuls)
  13. slaan = houwe - houw - huiw's - gehouwe (Lanakens)
  14. slaan = houwe, pave (Roermonds)
  15. slaan = houwn (Enschedees)
  16. slaan = klappen (Nijmeegs)
  17. slaan = meppe (Nijmeegs)
  18. slaan = ofboeken (Huizers)
  19. slaan = rellen (Amsterdams)
  20. slaan = slaon, houwe (Venloos)
  21. slaan = slaon; houwen (drents)
  22. slaan = sloa (Ouddorps)
  23. slaan = sloag'n (Westerkwartiers)
  24. slaan = sloan (Helmonds)
  25. slaan = sloan, houwen, houw, n, bater, n, klop gevven (Achterhoeks)
  26. slaan = sloan (Deventers)
  27. slaan = sloan (Nijmeegs)
  28. Slaan = Slôn (Hierdens)
  29. slaan = sloon (Urkers)
  30. slaan = timmeren (Amsterdams)
  31. slaan = trip geen (Brakels)
  32. slaan = watsje, bikkele, zwense, sloon, houwe (Mestreechs)
  33. slaan = begaffele (Heels)
  34. slaan = hauwe (Susters)
  35. Slaan = Hengste (Zurriks)
  36. slaan = houw'n (Eibergs)
  37. slaan = houwen (Budels)
  38. slaan = houwen (Sevenums)
  39. slaan = howwen (Achels)
  40. slaan = kletsen (Neerpelts)
  41. slaan = slaon (Boksmeers)
  42. slaan = sloan (West-Vlaams)
  43. Slaan = Sloan (Zurriks)
  44. slaan = sloan (Elspeet)
  45. slaan = teuren (brabants)
  46. slaan = tetse (brabants)
  47. slaan = slaon, sloeg, heslaohn (Zeeuws)
  48. slaan = beuk'n / haag'n (Gronings)
  49. slaan = houw (Mestreechs)
  50. slaan = meppen (Haarlems)