Vind een (dialect)woord

Toon woorden

Op de kaart

Op deze kaart staan 92 dialectwoorden voor `luisteren`. Zoom in of verschuif de map om ze beter te zien. Klik op een woord om de naam van het dialect te zien.
Hier zijn 10 willekeurige andere dialectwoorden : deugniet (156x) : buikpijn (62x) : hoog (55x) : het regent dat het giet (25x) : Waar (123x) : hoe gaat het (33x) : Eigenaar (84x) : scheef (80x) : ik (122x) : stotteren (51x)



50 vertalingen voor het Nederlandse woord `luisteren`

  1. luisteren = loestere (Roermonds)
  2. Luisteren = Laustere (Geffes)
  3. luisteren = leistere (Bilzers)
  4. luisteren = leusteren (Antwerps)
  5. luisteren = leusteren (Urkers)
  6. luisteren = loesjtere (Eesjdens)
  7. luisteren = luustere (Meerssens)
  8. luisteren = loestere (Sittards)
  9. luisteren = loisteru (Helmonds)
  10. luisteren = lustern (Enschedees)
  11. luisteren = luuster' n (Westerkwartiers)
  12. luisteren = luùstere (Venloos)
  13. luisteren = luustere (Mestreechs)
  14. luisteren = Luustere (Flakkees)
  15. Luisteren = Luusteren (Achterhoeks)
  16. luisteren = luustern (Nunspeets)
  17. luisteren = luustern, touheuren (Gronings)
  18. luisteren = luusturuh (Nijmeegs)
  19. luisteren = lösteren (Westels)
  20. luisteren = ortn (Kortemarks)
  21. luisteren = ortn (Harelbeeks)
  22. luisteren = urten, ort' n (West-Vlaams)
  23. luisteren = horken (Werviks)
  24. luisteren = loêsteren (Sevenums)
  25. luisteren = lustern (Zeeuws)
  26. luisteren = lûstere (Culemborgs)
  27. luisteren = luustere (Betuws)
  28. luisteren = loestere (Eys)
  29. luisteren = luustere (Horster)
  30. luisteren = loestere (Margratens)
  31. luisteren = luustern (Brugs)
  32. luisteren = orken / lustrn (Kortrijks)
  33. luisteren = loesteren (Heldens)
  34. Luisteren = luustere (Genneps)
  35. luisteren = uirken (Erps)
  36. luisteren = luustere (Cuijks)
  37. luisteren = loestere (Heerlens)
  38. luisteren = loestere (Kinroois)
  39. luisteren = urten (Brugs)
  40. luisteren = luustere (Diems)
  41. luisteren = luusteren (Arnhems)
  42. luisteren = lusteren (Sint-Niklaas)
  43. luisteren = luusteren (Lunters)
  44. luisteren = luusteren (Nijkerks)
  45. luisteren = huirken (Ronsisch)
  46. luisteren = luustere (Opglabbeeks)
  47. luisteren = harkje (fries)
  48. luisteren = lusterje (Fries)
  49. luisteren = leistere (Genker)
  50. luisteren = lustere (Betuws)