Vind een (dialect)woord

Toon woorden

Op de kaart

Op deze kaart staan 92 dialectwoorden voor `wandelen`. Zoom in of verschuif de map om ze beter te zien. Klik op een woord om de naam van het dialect te zien.
Hier zijn 10 willekeurige andere dialectwoorden : gilet (23x) : peuteren (27x) : kus (87x) : kinderwagen (105x) : doek (40x) : Toch wel (56x) : Leeuwerik (25x) : bij ons thuis (23x) : krijgen (68x) : Hoe gaat het? (37x)



50 vertalingen voor het Nederlandse woord `wandelen`

  1. wandelen = kaiere (Katwijks)
  2. wandelen = kaondere (Barnevelds)
  3. wandelen = kuier'n (Westerkwartiers)
  4. wandelen = kuier'n (Hattems)
  5. wandelen = kuiere (Flakkees)
  6. wandelen = kuiere\keurn (Zeeuws)
  7. wandelen = kuiere (Overpelts)
  8. wandelen = kuiere (Neerpelts)
  9. wandelen = kuieren (Brabants)
  10. wandelen = kuieren (Huizers)
  11. wandelen = kuieren (Zunderts)
  12. wandelen = kuieren (Nunspeets)
  13. wandelen = kuieren (Budels)
  14. wandelen = kuiern (Drents)
  15. wandelen = kuiern (Twents)
  16. wandelen = kuiern (Staphorsts)
  17. wandelen = kuijere (Bergs)
  18. wandelen = kuijere (Boekels)
  19. wandelen = kuir'n (Deventers)
  20. wandelen = kuìren (Oirschots)
  21. wandelen = prommenere, wandele (Mestreechs)
  22. wandelen = sjpatseere (Kerkraads)
  23. wandelen = waandele (Bilzers)
  24. wandelen = kuieren (Gils)
  25. wandelen = kuieren (Steenbergs)
  26. wandelen = kuiern (Drents)
  27. wandelen = kuijere (Oudenbosch)
  28. wandelen = kuieren (Neerpelts)
  29. wandelen = kuiere (Bosch)
  30. Wandelen = Kuieren (Giessens)
  31. wandelen = sjpatrzere (Simpelveld)
  32. wandelen = sjpatzere (Simpelveld)
  33. wandelen = kuieren (Flakkees)
  34. wandelen = terten (Sinnekloases en niekaarks)
  35. wandelen = kuieren (Prinsenbeeks)
  36. wandelen = trampele (Heerlens)
  37. wandelen = stiefelen (Westfries)
  38. wandelen = wanjele (Kinroois)
  39. wandelen = tjoln (Menens)
  40. wandelen = kuieren (Kaatsheuvels)
  41. wandelen = án de wapper ziên (Horster)
  42. wandelen = promeniëre (Bilzers)
  43. wandelen = kuieren (Herwijns)
  44. wandelen = blokkie om (Culemborgs)
  45. wandelen = kuierje (Fries)
  46. wandelen = permeniëre (Munsterbilzen - Minsters)
  47. wandelen = wandoon (Ronsisch)
  48. wandelen = waanele: waanel, waanels, waanelt; waanelde; gewaaneld; paermeneere (Genker)
  49. Wandelen = Kéúre (Geffes)
  50. wandelen = kuieren (Graauws)