Vind een (dialect)woord

Toon woorden

Op de kaart

Op deze kaart staan 85 dialectwoorden voor `spuwen`. Zoom in of verschuif de map om ze beter te zien. Klik op een woord om de naam van het dialect te zien.
Hier zijn 10 willekeurige andere dialectwoorden : braden (60x) : kameel (25x) : stekelbaars (24x) : zo meteen (30x) : luiden (29x) : lawaai (88x) : overgeven (154x) : jasje (23x) : kaas (231x) : lelijk (88x)



50 vertalingen voor het Nederlandse woord `spuwen`

  1. spuwen = spikselen (Zoutleeuws)
  2. spuwen = spieëk' n (Waregems)
  3. spuwen = fluim'n, spikkelen (Brakels)
  4. spuwen = koete (Kerkraads)
  5. spuwen = spaaië (Millers)
  6. spuwen = spaaje (Bilzers)
  7. spuwen = speeje (Venloos)
  8. spuwen = spei'n (Westerkwartiers)
  9. spuwen = spieekelen (Giesbaargs)
  10. spuwen = spierse (Hilvarenbeeks)
  11. spuwen = spukken (Moes)
  12. spuwen = tuffe (Wagenings)
  13. spuwen = tuffen (Neerpelts)
  14. spuwen = roggelen (Hulsters (NL))
  15. spuwen = spiejeke (Berlaars)
  16. spuwen = spiëke (Antwerps)
  17. spuwen = spuggelen (Hulsters (NL))
  18. spuwen = tuffe (Oudenbosch)
  19. spuwen = spiksele (Wommersoms)
  20. spuwen = spiejke (leuvens)
  21. spuwen = spiken (Brussels)
  22. spuwen = sjpöjje (Eys)
  23. Spuwen = Spiêke (Sint-Katelijne-Waver)
  24. spuwen = spikselle (Tiens)
  25. spuwen = spi'jen (Kampers)
  26. spuwen = spikken (Lokers)
  27. spuwen = spuchelen (Sinnekloases en niekaarks)
  28. spuwen = spuchelen (Sint-Niklaas)
  29. spuwen = speie (Neerharens)
  30. spuwen = tuffen (Turnhouts)
  31. spuwen = spauwë (Tongers)
  32. spuwen = spije (Hoeselts)
  33. spuwen = tuffe (Weerts)
  34. spuwen = spiekel' n (Evergems)
  35. spuwen = spouwen (Evergems)
  36. spuwen = rochellen (Antwerps)
  37. spuwen = rochgeln (Buggenhouts)
  38. spuwen = spaaie (Bilzers)
  39. Spuwen = Spúge (Helenaveens)
  40. spuwen = spiksele (Betsers)
  41. spuwen = spuugn: 1. spuwen, bv. van speeksel, 2. braken, overgeven. Het woord klinkt neutraal, in tegenstelling tot ' braken' . Zie dat woord (Klemskerks)
  42. spuwen = spuggen (Iepers)
  43. spuwen = spiejgelen (Moorsel)
  44. spuwen = spjeeken (Stekens)
  45. spuwen = tuffen (Berings)
  46. spuwen = spieke (tervurens)
  47. spuwen = spjéken (Kortrijks)
  48. spuwen = spieje (Opglabbeeks)
  49. spuwen = spuggelen (Clings)
  50. spuwen = rochelen (Buggenhouts)