Kampers dialect

Dialecten > Overijssel > Kampers
Het dialectenwoordenboek Kampers bevat 11 gezegden, 789 woorden en 8 opmerkingen. Alle woorden zijn toegevoegd door onze bezoekers. Als iets niet klopt of ontbreekt kun je het zelf toevoegen of wijzigen. Log in of meld je daarvoor aan in de rechterkolom.

11 gezegden

Dat kan ik beter voor me houdenBreek mien de bek niet lös
Eerst grote mensen, dan kleine kinderenEerst mensen, dan ang-oren
Grote woede en boosaardigheid straalt hem uit de ogenDe ogen staon em krang in de kop
Het is altijd verkeerd. Het is een misse boel.'t Is van pis in bedde tot poep in bedde.
hij/zij doet zich als een wijze voordie leest de bule van Zijlstra
Netjes woont op het eiland en Mijnheer die woont ernaastheNetties! Netties woont op't eilend en Meneer die woont ernoast
Niet alle bloei wordt vrucht.Niet elke bluui wödt vrucht.
Niet elk schot is raakNiet elk skot is een äntvogel
Slecht bedeeld wordenAn de achterste päppe lègen
we gaan naar huiswe gaon op uus an
We moeten opschietenWe mutten poot-an speulen

789 woorden

A

aal (paling)aol
aanan
aandraaienandreien
aanhalenan-alen
aanplakbordanplakbörd
aanrechtanrecht
aanschaffenanskaffen
aanslaananslaon
aansporing: vooruit!allä
aanspraakanspraok
aansprekeranzegger
aanstaandeanstaonde
aantreffenantreffen
aardappeleerappel
aardbeieerbeze
aardigöördig
aardigheidjepoelegrap
advocaatjeaffekötien
advokaataffekaot
akkefietjeakkefietien
alleenalleend (ook: allenig)
allemaalallemaole
almanakalmenak
alsas
alstublieftastoeblief
altijdaltied
aluinalluun
andersomandesumme
andijvieandievie
anijsblokjeanniesblukkien
apartampät
apotheekapteek
asasse
azijnazien

B

bakje koffiebäkkien koffie
bangerikskijt-uus, skijtleerze
barbierskeerbaos
bedenkenuutprakkezeren
bedorven, doodgegaanvergupt
beetjebietien
begerig uitzien naarverspikken
Bek houdenoe bek ollen (olt oe bek)
bemoeialöörneuze
bengelenbongelen
berekenenuutsieferen
beschuitbeskuut
betreffenanbelanden
bezembessem
biechtstoelbiechtökkien
bies (plant)buze
bijbelbiebel
bijlbiele
bijltjebieltien
biscuitjebeskwiegien
biscuitjemaalmöppien
blaasblaoze
blazenblaozen
bokkingbukkem
boonbone
boontjebeuntien
boontjesbeunties
boosellig
boos makenopreien
BootjeBeutien
borstböst
borstelböstel / bössel
botjebuttien
BovenkerkBovenkärke
braambrummel
bradenbraoden
brandverzekeringbrandkäste
brilbrille
brilletjebrillegien
broerbreur
broertjebreurtien
broodjebreutien
brugbrugge
brugjebruggien
bruiloftbrullefte
bruinbruun
bruin volkoren broodkemiesien
brutaalastrant
brutaalstrabant
buibujje
buikboek
buik (heel dikke buik)götboek
burgerbörger
burgersbörgers

C

capucijnerskapsienders
castrerenlubben
catechisatiekärkezaosie
chagrijnsaggerijn
chocoladesukela
chocoladelettersukelaletter
citroentje (borrel) sitruuntien
computercompjoeter
confectiefabriekneifebriek
corsetkeset

D

daardöör
daardoordöördeur
daaromdöörumme
darm, darmendärm, därms
darteldättel
dasdässe
datdet (of dette)
dat is jaapiede-s jaapie
datumdaotum
de heiligesteegd'eiligestege
deel (op de boerderij)dele
dendenne
derdedädde
dertiendättiene
deurdeure
dezedisse
dijk diek
dikke buikdikke boek
dodedooie
doekjedukien
doodkistdoodkiste
dooiendeuien
dooiende sneeuwsjoekse
doopceeldeupsele
doopjurkdeupjörk
doordeur
doorgaandeurgaon
doorslaandeurslaon
doosdeuze
doosjedeussien
dopendeupen
dorstdöst
dotdodde
draaikolkdreikolke
draaimolendreimeule
dronkenbezeupen
droogdreuge
dropdrup
dropjedruppien
druivendroeven
drupjedruppeltien
druppeltjedruppeltien
dubbeldubbeld
duidelijkdudelijk
duifdoeve
duikenduken
duikerduker
duimdoeme
duimpjeduumpien
duisterduuster
duivelduvel
duizeligdoezelig
duizendduzend
duwdrukkerd
dwarsdwäs
dwarsdrijverdwäsdriever
dwarsliggerdwäsbongel

E

eenene
eendpoelänte
eendjespoelegies
eerere
eigenègen
eigenaardigègenöördig
eigenaardigheidampättigeid
eikenhoutiekenolt
eindende
eitje, eitjeseigien, eigies
elastiekellestiek
elleboogelleboge
enkel (soms)enkeld
envelopkomföttien
erfärf
erg kwaadallebästend kwaod
ergensäns
ernstigänstig
es (boom)esse
eteneten
eveneven (spreek uit: eem)
eventjeseempies
eventjeseffenties

F

familiefemilie
fatsoenfesoen
fatsoenlijkfesoenlijk
fazantfezante
feeksfeekse
feestje, feestjesfeessien, feessies
fermfärm
figuurfeguur
fijnfien
fijnproeverfienpruver
finaalfinaol
flanelflenel
flesflesse
flesjeflessien
flink (een flinke bui)fiks (een fikse bujje)
fluimflume
fluisterenfluusteren
foeifoj
forcerenfokseren
fornuisfenuus
forsfös
fotolijstjefotoliesien
framboosframboze
froemelenfrommelen
fuikfoeke

G

gaangaon
gaatgiet
gaatjegatien
gaatje, gaatjesgagien, gaties
galgalle
galbultgallebulte
gansganze
garengören
garnaalgenele
gasfornuisgasfenuus
GasthuisGästuus
gebruikengebruken
gehaktbalge-akballe, gakballe
geheimge-eim
gekgek
gekheidgek-eid
geknoeigeknooi
gelijkgeliek
gelijkenisgeliekenisse
geloofgeleuf
geluid, geluidengeluud, geluden
gelukkig nieuwjaar wensenluksen
gemeenspelenfoechelen
genoeggenog
gentgänte
geschreeuwgeskriw
gesnoeptesnaaid
getuigegetuge
getuigengetugen
gevaargevöör
gevaarlijkgevöörlijk
gevaartegevöörte
gevulde koekPielemoppe
gewaarschuwdewaarskouwd
geweldigätstikke
gezichtgezichte
gezichtjegezichien
gierigaardknieperd
gindsgunder
gisterengisteren
glaasjeglasien
glaasje jonge jeneverjunkien
glijbaanglierbane
glijdenglieren
gloeiendglunig
gluipergloeperd
gootgeute
gootjegeutien
gordijngedien
gorgelengörgelen
gortgötte
gortepapgöttepap
gortzakgöttezak
graat, gratengraot, graoten
greep (werktuig)grepe
griesmeelgriesmaal
groeiengruuien
groenteboergruunteboer
grote hoeveelheidzwik
gruisgruus
gulpgulpe

H

haakaoke
haakjeökien
haanane
hakschoenenakkeskoenen
haringering
hebzuchtiggröperig
heeftef
heel booslink
heel erg boosellig in de balg
heel veelbonke
heel veel, een heleboel (een) kladde
heileil
heiligeilig
hekekke
hekjeekkien
heksekse
Helder weerZichtig weer
helemaalelemaole
helftelfte
hennetjeennegien
herfstärfst
hersensässens
Het BolwerkDe Bollewärk
het hoekje't ukien
hij is gestoordij is getikt
hij spoort nietij spoort niet
hobbelpaarduppelpeerd
hoeoe
hoekjeukien
hokokke
hokjeökkien
hondond
hondjeundtien
hoofdeufd
hoofdpijneufpiene
hoofdpijnkoppiene
hooieui
hooibergeuibärg
hooiharkeui-ärke
hooivorkeuivörke
horeneuren
houden vanollen van
huilenblèren
huilenlippen
huilenreren
huilenskreien
huisuus
huishoudinguus-ollige
HuisjeUsien
huppelenuppelen
huurhuisuuruus

I

ijsies
ijsbeeriesbere
ijscoiesco
ijskastieskäste
ijskelderieskelder
IjsselIessel
IJsselkadeIesselkante
Ik hou van jouIk bin gek op oe
ik hou van jouik olle van oe
in het geheel nietaggiesniet
inhaligin-aalderig (ook: in-alig)
inhalig typegröperd
initiatiefinisiatief
inschenkeninskinken
inschikkeninskikken
inschrijveninskrieven

J

jaarjöör
januarijannewari
jarigjörig
jasjässe
jasjejässien
jassenjässen
jaweljawè
jeie
jeneverjajem
jijieje
Jonge jeneverjunkien
jouwoe
juistjuust (ook: juustement)
jurkjörk
jurkjejörkien
juweeljeweel

K

kaarsvetkeersevet
kaaskeze
kabinetkammenet
kamkamme
kammetjekämmegien
KampenKampen
kan (znw)kanne
kanariekenarie
kaneelkeneel
kannetjekännegien
kanten mutsknipmusse
kapelaankappelaon
kapotkepot
karköre
karnemelkkärnemelk
karperkärper
karretjekärregien
kastkäste
kastanjekoestanje
kastjekässien
katkatte
katjekättien
katrolketrolle
katuilkatoele
keelkele
keikeie
kemphaankempane
kerelkeerl
kerkkärke
kerkorgelkärkörgel
kermenkärmen
kermiskärmse
kerspelkäspel
kiespijnkoespiene
kiespijnkoezenzeerte
kievitkiefte
kijkkiek
kijk hier dankiek les ier
kijk uitkiek uut
kijkdooskiekdeuze
kijkenkieken
kipkippe
kistkiste
klagenkärmen
klapoplazer, oplewaai
klein kindkippekeutel
kleinigheiddakschere
kliekjepräkkien
kluit, of: heel veelkloete
klungelklongel
klungelenknooien, foemelen
kluns, sufferddrötnöttel
knapkwante
KnikkertjesKnikketies
knopenknuppen
koeienkoeien (Kampereiland: koenen)
koekjekoekien
koekjemaalmöppien
koekjemöppien
koffiekoffie
komtkump
konijnknien
koninginkoneginne
koper (metaal)keuper
kopjeköppien
kopje koffieköppien koffie
kosterköster
koudkòld
kouwelijkfiesterig
kozijnkezien
kraamkraome
krabbenskeuken
krijgenkriegen
kruiskruus
kruisbessenkriezebezen

L

laaglege
laarsleerze
lamplampe
lantaarnlanteern
leegleuge
leidenleiden
lelijklillijk
leugenaarleugenbäste
lieveheersbeestjekoekediefien
lijdenlieden
lijflief
lijkliek
lijmliem
lijstlieste
Likeurtjepik an de lippe
likjelikkien
liplippe
LisdoddeToestebolte
lisdodderietsegare
lolskik
loodsloze
loonlijstloonlieste
loopjeleupien
loslös
loterijloteri'je
luidenluden
luikluuk (ook: loek)
luisluus
luizenluzen
luizigluzig
lurkenlörken
luslusse

M

maandmaond
machinemesiene
mama/moedermo
mandmande
medicijnenmedecienen
meisjedeerne
meisjemokkeltien
mekaarmekare / menare
melkbusmelkbusse
metworstmetwöst
mijnmien
mijn moedermien mo
moeilijkmulijk
moer, moertjemoere, moertien
moetenmutten
mogelijkmeugelijk
molmolle
molenmeule
MolenbrugMeulenbrugge
molshoopmollebulte
muismoes
musmuske
musjemussien
mutsmusse
muurmure

N

naadnaod
naaigarenneigören
naaktnakend
naaldnaolde
naamname
nagelkaasnagelkeze
najaarnaojöör
natuurneture
neepjesmutsnepiesmusse
neknekke
nestnöst
net pak (geen zondags pak) uutloperspak
netjesnetties
neusneuze
nieuweni'je
nieuwjaarni'jjöör
nieuwsni'js
nieuwsgierign'jskierig
nieuwtjeni'jgien
nodigneudig
nootneute
notenboomneuteboom

O

ogenogen
olieeulie
olieboleuliebòlle
oliekaneuliekanne
omaopoe
onderzoekonderzûûk
onverzorgdònzelig
oogjeseugies
oorveegsinksoeze
ophitsenopsaaien
opschieten, voortmakenaffeseren
orgelörgel
oudold
oudeolde
oude vrouwold wief
OudestraatOldestroate
overvolbästensvol

P

paalpaole
paaltje, paaltjespööltien, pöölties
paardpeerd
paarspöörs
panpanne
papa/vaderva
PasenPaosen
pastoorpestoor
patroontje (klein baasje)petreuntien
pauze (voor het eten)skoft
pauzeren (voor het eten)skoften
peespeze
peuren (op paling vissen)poeren
pijnpiene
plakplakke
plakjepläkkien
plakkerigklaaierig
plassen (ww)pissen
platte gevulde koekpielemoppe
poesjepoessien
politiepliesie
politie-agentkraaie
poortpoorte
pootjepeutien
potpot
potjepöttien
praatjeprötien
praatjesmakerprötiesmaker
pratenpraoten
pruillipproellippe
pruimproeme
pruimedantproemedant
prutsenklongelen
puistpoeste
puistjepusien
putputte
puthaakput-aoke
putjeputtien

R

ratrotte
rattekruidrottekruud
rattenvalrottevalle
razenraozen
riem (kleding)riem
riempje (kleding)riempien
rietsnijderrietsnieder
rijdenrieden
rijgdraadri'jdraod
rijgenri'jen
rijmriem
rijmpjeriempien
rijp (voldragen)riepe
rijtuigrietuug
ringetjeringgien
rondjerundtien
roodborstjeroodbössien
rookpluimrookplume
roskamröskamme
rotjongenrotjonk
rozijnenrezienen
rugrugge
ruiruui
ruikenroeken
ruimruum
ruimteruumte
ruïnerenverrinneweren
ruitrute
ruiterruter
ruitjerutien
rupsrupse
RusthuisRustuus

S

saaie ventdreugkloot
schaapskaop
schaarskere
schaatsskase
schaatsen (ww) skasenslopen
schampschotskamskot
scharenslijperskeresliep
schatjeskättien
scheelskeel
scheerschuimskeerskuum
schelvisskellevis
schemerigskemerig
schepijsskep-ies
scheppenskeppen
schermskärm
scherpskärp
scheurskeure
scheur, scheurenskeure, skeuren
schijt hebben aanskijt ebben an
schikskik
schilskille
schilderskilder
schilderenskilderen
schilderijskilderi'je
schildpadskildpadde
schimmelskimmel
schoenskoe
schoenenskoenen
schoentjeskuuntien
schoolskole
schop (gereedschap)skuppe
schop (trap)skup
schotskot
schoteltjeskötteltien
schreeuwerbölkerd
schrikkeljaarskrikkeljöör
schuifskoeve
schuivenskoeven
schurftskörft
schurkenskeuken
sigaarsegare
sigaretsegret
Sint MaartenSundemätten
SinterklaasSundeklaos
sjaalsjale
slaapjeslöpien
slank (mooi)skier
slapenluime
slapenslaopen
slenterensjoksen
slijmbalsliemballe
slokjeslukkien
smeerlappoesterd
smoesjesmoesien
smoesjesbabbelegoegies
snoepjesnupien
snuit, gezichtsnoete
snuitergööggien
snuivensnoeven
spaakspeke
spataderspataore
speen, tepelpäppe
speldspelde
spinspinne (ook: spinnekop)
spreeuwsprao
spuugspi'je
spuwenspi'jen
staat (hij)stiet
stadsbrugLange Brugge
stiekemerdsmiesterd
stierbolle
stijfselstiesel
stijfselpotjestieselpöttien
stoepgootgeute
straat, straatjestraote, strötien
strakstragge
strakstammee
strijkplankstriekplanke
strooienstreuien
strooigoedstreuigoed
strootje, strootjesstreutien, streuties
stropenstreupen
stroperstreuper
struikstruke

T

tafeltaofel
tafeltjetöfeltien
takelbare vrachteen ijsien
teentie
teentjetiegien
tijdtied
tontonne
tonnetjetunnegien
tot kijktot kiekus
toverenteuveren
toverheksteuver-ekse
toverlantaarnteuverlanteern
trap (in een gebouw)trappe
trap (met de voet)skup
trappen en gaantrapp'n en goan
trekken (rukken)roppen
tuigtuug
twijfeltwiefel
twijgwaardtwiegweerd

U

uoe
uilook
uiloele
uitbenenuutbenen
uitbrandersnoeverd
uitdragenuutdragen
uithalenuut-alen
uithorenuut-euren
uitkijkenuutkieken
uitschietenuutskieten
uitwringenuutvringen
urinerenmiegen, pissen, zeiken (plat)

V

vakantievekansie
veeleen bulte
veelkladde
veelveule
veel haareen beste doeste
veel te veelvuuste veule
vent van niksflapdrolle
vervärre
verfvärve
verfkwastvärfkwaste
vergeetachtigdummelig
verkeerd, omgekeerd, booskrang
vernielenmòllen
versväs
versjevässien
vertevätte
vertrekkenvut gaon
vertrouwenfedusie
viespeukgästerd
viezerik, vervuilersmeerdeken
vleienflikflooien
vloervloere
vogeltjeveugeltien
voorveur
vooruit duwenvoorde drukken
vraagvraoge
vreemde vogelgööggien
vriendkammeraod
vrijdagvri'jdag
vrijdagsvri'jdags
vrouwvrouwe
vuilnisbakdre (k) bak

W

waarwöör
waarheidwööreid
waarzeggerwöörzegger
waslijnwasliende
waslijndreugliende
waterkoudgrienderig
wegvut
werkwärk
werkenwärken
wiegwiege
wiegjewiegien
wijdwied
wijfwief
wijsneuswiesneuze
wijsvingerwiesvinger
wijzenwiezen
woerdweke
wormwörm
wormenwörms
worstwöst
wortelwöttel
wratvratte
wringenvringen
wringervringer

Z

zakbule
zakhorlogezak-allozie
zakjebuultien
zatlapzoeperd
zeepzepe
zerkzärk
zeurderignèzerig
ziekenhuisziekenuus
zilverzulver
zoekzuuk
zoekenzuken
zoensmokse
zoenensmoksen
zoetzute
zoete drank of likeurpik an de lippe
zoethoutzuutolt
zonzunne
zondagzundag
zondagssundes
zondezunde
zonneschermzunneskärm
zooitjezeugien
zoolzole
zoute haringzolte (ook: pekelering)
zuinigzunig
zuipenzoepen
zuurkoolzoerkool
zuurpruimzoerproeme
zwaarzwöör (Kampereiland: zwoor)
zwartzwät

8 opmerkingen

  1. Als werd gezegd: 'Zeg eens netjes meneer', dan volgde als verbolgen antwoord: Netjes woont op't eiland en Meneer die woont ernoast. Twee boeren die naast elkaar woonden op het Kamper eiland.
  2. Daar ben je mee opgescheept: Door bi'j mee an-aald.
  3. In Kampen lig je niet in het ziekenhuis maar er 'op'. 'Zien mo leg op 't ziekenuus.' 'Det kind ef lange op 't ziekenuus elegen.'
  4. In het Kampers komt in het alfabet de letter 'h' als het ware niet voor. Woorden die in het Nederlands met een 'h' beginnen hebben in het Kampers altijd een klinker als eerste letter. De gedachte dat mensen uit Kampen in hun dialect de 'h' op een verkeerde plaats zetten, berust op een misverstand. Heeft iemand eerst geleerd Kampers te spreken en daarna Nederlands, dan heeft hij/zij moeite gehad en misschien gehouden woorden met een 'h' uit te spreken omdat het dialectwoord in het Nederlands anders klinkt en ook nog moet beginnen met een 'h'. 'Huis' in het Kampers is 'uus'. Wordt het woord vertaald, dan ondergaat het twee veranderingen. De 'uu'-klank verandert in 'ui' en er moet een 'h voor. Dat is net als fietsen voor sommigen lang lastig: trappen en sturen tegelijk.
  5. Kinderen wordt hun plaats gewezen: eerst mensen, dan ang-oren.
  6. Over een meisje dat zich promiscue gedraagt (met veel verschillende jongens naar bed gaat) en niet zwanger raakt, wordt gezegd: op een allemans pad döör gruuit gien grös.
    Voor het vrijen van vroeger (niet veel meer dan zoenen en geen geslachtsgemeenschap) werd de platte uitdrukking gebruikt: mekare op de bek zitten. Iets verder gaan en de onderbuiken stevig tegen mekaar wrijven heette: dreugeneuken.
  7. Ramen en deuren doe je in Kampen niet open maar 'lös': Doe die deure ies lös. Det raam is lös.
  8. Twee dingen tegelijk doen en die dan mislukken. Ie kunn niet lachen en proaten te gelieke.