Op de kaart
Op deze kaart staan 50 dialectwoorden voor `zeggen`.
Zoom in of verschuif de map om ze beter te zien.
Klik op een woord om de naam van het dialect te zien.
Hier zijn 10 willekeurige andere dialectwoorden :
drogen (30x) :
sok (38x) :
rem (58x) :
vinden (70x) :
bekijken (26x) :
haren (32x) :
binnenstebuiten (40x) :
timmerman (25x) :
rondom (36x) :
kookpot (66x)
50 vertalingen voor het Nederlandse woord `zeggen`
- zeggen = poern (Kortemarks)
- zeggen = sègguh (Nijmeegs)
- zeggen = zaage (Eys)
- zeggen = zage (Vijlens)
- zeggen = zage, zaare (Kerkraads)
- zeggen = zagen (Flakkees)
- zeggen = zeeien (Brabants)
- zeggen = zegg'n (Westerkwartiers)
- zeggen = zegge (Helmonds)
- zeggen = zegge (Westfries)
- zeggen = zegge (Venloos)
- zeggen = zègge (Bilzers)
- zeggen = zègge (Sittards)
- zeggen = zègge (Genneps)
- Zeggen = Zègge (Volendams)
- zeggen = zegguh (Westlands)
- zeggen = zegke (Mestreechs)
- zeggen = zeige (Geffes)
- zeggen = zejen (Bredaas)
- zeggen = zigken (Heerlens)
- zeggen = zegke (Nederweerts)
- zeggen = zigke (Sjilvends)
- zeggen = zegge (Betuws)
- zeggen = zage (Simpelveld)
- zeggen = zitte, zinne (Udens)
- zeggen = ze'n (korte e, lang uitgesproken), zaa'n (Eekloos)
- zeggen = zeag'n (Genemuidigers)
- zeggen = zègke (Kinroois)
- zeggen = zeigen (ik zeig; ei, zè zeét; zè, wè zeigen) (Sint-Niklaas)
- zeggen = zedden (Betuws)
- zeggen = koeten (West-vlaams)
- zeggen = kla m (West-vlaams)
- zeggen = zeggen (Wells)
- zeggen = sizze (Fries)
- zeggen = zèggë, ich zeeg, zjiè zèk, hê zèk, ich zaag, gezaag (Hoeselts)
- zeggen = zègke (Hunsels)
- zeggen = zègke (Steins)
- zeggen = zègge, (zègt, zi / zeej, gezeej / gezeed) (Tilburgs)
- zeggen = zeg. ik zeg, hij zee, wij / hullie zegge, d'r ies gezeet. (in 'gezeet'de ee als in 'beer'. (Waalwijks)
- zeggen = za-ge (Bocholtz)
- zeggen = zaagge (Bocholtz)
- zeggen = zegge, zee, gezaid (Hoeksche Waards)
- zeggen = zejje (Stals)
- zeggen = zènge (we zè, ge 't ni-j) (Beverloos)
- zeggen = zaáge (nijswillers)
- zeggen = zegke (Roermonds)
- Zeggen = Zeeg.n (Hierdens)
- zeggen = zèggë (Millers)
- zeggen = zeigen (Bevers)
- zeggen = zègge: zèg, zèks, zit zag gezagd (Genker)
1 vertalingen voor het dialectwoord `zeggen`
- zeggen = zeggen (Wells)