Vind een (dialect)woord

Toon woorden

Op de kaart

Op deze kaart staan 74 dialectwoorden voor `struikelen`. Zoom in of verschuif de map om ze beter te zien. Klik op een woord om de naam van het dialect te zien.
Hier zijn 10 willekeurige andere dialectwoorden : behoorlijk (22x) : vaatdoek (251x) : onder (33x) : verlegen (42x) : lijster (28x) : wagen (33x) : groenten (81x) : eieren (108x) : twintig (34x) : paars (73x)



50 vertalingen voor het Nederlandse woord `struikelen`

  1. struikelen = strunkele (Nijlens)
  2. struikelen = strukeln (Zeeuws)
  3. struikelen = sjoempelen (Bornems)
  4. struikelen = stoukele (Westfries)
  5. struikelen = stroempele (Mechels (BE))
  6. struikelen = stroffele (Westfries)
  7. struikelen = stroffelen (Westfries)
  8. Struikelen = Stroffelen (Texels)
  9. struikelen = strovvel'n (Westerkwartiers)
  10. struikelen = strukel' n (Westerkwartiers)
  11. struikelen = struùkele (Venloos)
  12. struikelen = struukele (Budels)
  13. struikelen = tjaffel' n (West-Vlaams)
  14. Struikelen = Verfuërtelen (Lokers)
  15. struikelen = sjoempeln (Opwijks)
  16. struikelen = stroffelen (Texels)
  17. struikelen = strunjkelen (Antwerps)
  18. struikelen = strunkelen (Wommersoms)
  19. struikelen = verfurtelen (Zeels)
  20. struikelen = struukeln (Zeeuws)
  21. struikelen = soesselun (Clings)
  22. struikelen = stroffele (Leewarders)
  23. struikelen = subbelen (Brugs)
  24. struikelen = tsjoebele (ezemaals)
  25. struikelen = strompeln stroekeln (Gronings)
  26. struikelen = tjoebelen (Landens)
  27. struikelen = sjoempelen (Dendermonds)
  28. struikelen = tjobbelen (Werviks)
  29. struikelen = strunkelen (Sint-Niklaas)
  30. struikelen = sjoempelen (Londerzeels)
  31. struikelen = stroekele (Kinroois)
  32. struikelen = zich (ver-) stoebele (Bilzers)
  33. struikelen = stoempere---stroempele (Bilzers)
  34. struikelen = djoebbele (Walshoutems)
  35. Struikelen = wa ist na weer? (Antwerps)
  36. struikelen = strukel'n (Zeeuws)
  37. struikelen = sjoempeln (Moorsel)
  38. struikelen = tchoboon (Ronsisch)
  39. struikelen = sjoeselen (Stekens)
  40. struikelen = stroempelen, strunkele (Sintrùins)
  41. struikelen = sobbelen (Ursels)
  42. struikelen = strunkelen (Halens)
  43. struikelen = stroempelle (Kortenbergs)
  44. struikelen = au verknoeselen (Wetters)
  45. struikelen = subbelen (Sint-Laureins)
  46. struikelen = stobbele (neeroeters)
  47. Struikelen = Stroffelje (Westfries)
  48. struikelen = verstoebbele (Munsterbilzen - Minsters)
  49. struikelen = tòffele (Steins)
  50. struikelen = stölpe (Ossies)