Vind een (dialect)woord

Toon woorden

Op de kaart

Op deze kaart staan 34 dialectwoorden voor `janken`. Zoom in of verschuif de map om ze beter te zien. Klik op een woord om de naam van het dialect te zien.
Hier zijn 10 willekeurige andere dialectwoorden : rammelaar (26x) : as (31x) : verwend kind (26x) : tot ziens (154x) : mopperen (71x) : tafellaken (25x) : kibbelen (26x) : hengel (31x) : uw (60x) : dikwijls (87x)



35 vertalingen voor het Nederlandse woord `janken`

  1. janken = belken, bleren (Diems)
  2. janken = grien'n (Westerkwartiers)
  3. janken = janke (Geuls)
  4. janken = jènke-greine-beuke (Mestreechs)
  5. janken = joenke (Voerens)
  6. janken = kajietn (Kortemarks)
  7. janken = snottern (Gronings)
  8. janken = liepen / snottern (Gronings)
  9. janken = peeuwe (Texels)
  10. janken = tjoenken, bleeren (Nunspeets)
  11. Janken = Jeunkere (Zurriks)
  12. janken = kajuten, kajieten (Hulsters (NL))
  13. janken = schriese (Riekevorts)
  14. janken = grinse (Bilzers)
  15. janken = joenkere (Maas en waals)
  16. janken = skrieme (Fries)
  17. janken = jaanke (Tilburgs)
  18. Janken = Jaanke (Zevenbergs)
  19. janken = joekele (Tilburgs)
  20. janken = jenke (Walshoutems)
  21. Janken = joenke (Mechels (NL))
  22. janken = reer'n (Westerkwartiers)
  23. janken = kermen (hessels)
  24. janken = jengëlë (Munsterbilzen - Minsters)
  25. janken = bler'n (Klazienaveens)
  26. janken = joenke (Blericks)
  27. janken = jenke (wijlres)
  28. janken = kajoetere (Heist-op-den-Berg)
  29. janken = joenke (Hulsbergs)
  30. Janken = Belléke (Noord-Limburgs)
  31. janken = moesjâânke (Bredaas)
  32. janken = janke: jank, janks, jankt jangde gejankt (Genker)
  33. janken = kajiedn (Kaprijks)
  34. janken = tjoerken (oldebroeks)
  35. janken = joenke (Tegels)


17 vertalingen voor het dialectwoord `janken`

  1. janken = huilen (Amsterdamse straattaal)
  2. Janken = zeuren (Moerdijks)
  3. janken = huilen (Urkers)
  4. Janken = huilen (Nijmeegs)
  5. janken = huilen (Gronings)
  6. janken = wenen (Overpelts)
  7. janken = wenen (Lummens)
  8. janken = huilen (Genneps)
  9. janken = huilen (Woensels)
  10. janken = huilen (Boekels)
  11. janken = huilen (Hilvarenbeeks)
  12. janken = huilen (Udens)
  13. janken = huilen (Herns (Herne, VL-B))
  14. janken = zeuren (Kortrijks)
  15. janken = huilen (Hulsters (NL))
  16. janken = huilen (Leids)
  17. janken = huilen (Rotterdams)