Vind een (dialect)woord

Toon woorden

Op de kaart

Op deze kaart staan 66 dialectwoorden voor `schommelen`. Zoom in of verschuif de map om ze beter te zien. Klik op een woord om de naam van het dialect te zien.
Hier zijn 10 willekeurige andere dialectwoorden : blijven (52x) : kiespijn (29x) : ik (122x) : helling (25x) : benen (67x) : brievenbus (53x) : voetpad (84x) : boon (35x) : vlaai (46x) : steeg (34x)



50 vertalingen voor het Nederlandse woord `schommelen`

  1. schommelen = biezen (Bornems)
  2. schommelen = biezebijzen (Hulsters (NL))
  3. schommelen = suurre (Neerpelts)
  4. schommelen = renn, tjoetern (Kortemarks)
  5. schommelen = schoemele (Riekevorts)
  6. schommelen = sjoegkele (Swalmens)
  7. schommelen = sjokke (Bilzers)
  8. Schommelen = Tolter'n (Staphorsts)
  9. schommelen = touter' n (Axels)
  10. schommelen = toutere (Ouddorps)
  11. schommelen = touteren (Zeeuws)
  12. schommelen = zuzooien (Gronings)
  13. schommelen = biezabijzen (Sinnekloases en niekaarks)
  14. schommelen = toutere (Oudenbosch)
  15. schommelen = toutern (Zeeuws)
  16. schommelen = ruijere (Sin tunnis)
  17. schommelen = zoeieboeien (Gronings)
  18. schommelen = touteren (Flakkees)
  19. schommelen = touteren (Roosendaals)
  20. schommelen = soeier' n (Westerkwartiers)
  21. schommelen = schommele (Ammeroois)
  22. Schommelen = Touteren (Steenbergs)
  23. schommelen = beizen, biezabeizen (Sint-Niklaas)
  24. schommelen = toetteren (Brugs)
  25. schommelen = sjokke (le) (Bilzers)
  26. schommelen = sjoegele (Tegels)
  27. schommelen = touterje (Fries)
  28. schommelen = sjokke (Munsterbilzen - Minsters)
  29. Schommelen = Biezebijzen (Zelzaats)
  30. schommelen = toutere (Gastels)
  31. schommelen = beuzn (Maldegems)
  32. schommelen = joeke (Hunsels)
  33. schommelen = jokken (neeroeters)
  34. schommelen = sjokkele (wijlres)
  35. schommelen = bijzen (Meers)
  36. schommelen = russelekokkere (Hedels)
  37. schommelen = sjokkele (Steins)
  38. schommelen = suzooien / soeieboeien / taaltern (Gronings)
  39. schommelen = telten (Spakenburgs)
  40. schommelen = beiz'n (Eekloos)
  41. schommelen = sjoggele (Valkenburgs)
  42. schommelen = suren (Zichems)
  43. schommelen = talderen (Genemuidigers)
  44. schommelen = bouijz' n (Lebbeeks)
  45. schommelen = biezebijzen (Kloosterzandes (Klôôsters))
  46. Schommelen = wiepewanne doen (Avelgems)
  47. schommelen = sure (Stals)
  48. schommelen = ruslekokken (Ammeroois)
  49. Schommelen = Tente (Nijkerkerveens)
  50. schommelen = sjokkele (nijswillers)


5 vertalingen voor het dialectwoord `schommelen`

  1. Schommelen = Najaarsshoonmaak (Giethoorns)
  2. schommelen = opruimen (Brugs)
  3. schommelen = overhaasten (Werviks)
  4. schommelen = opruimen (West-Vlaams)
  5. schommelen = opruimen, reinigen (West-Vlaams)