Vind een (dialect)woord

Toon woorden

Op de kaart

Op deze kaart staan 43 dialectwoorden voor `zoen`. Zoom in of verschuif de map om ze beter te zien. Klik op een woord om de naam van het dialect te zien.
Hier zijn 10 willekeurige andere dialectwoorden : paardje (33x) : vaart (21x) : boodschappentas (99x) : pesten (55x) : vlieger (35x) : taart (103x) : waarom (133x) : Motorfiets (47x) : ooievaar (36x) : kapot maken (67x)



47 vertalingen voor het Nederlandse woord `zoen`

  1. zoen = xx (Chattaal)
  2. zoen = tot, pieper, bieze (West-Vlaams)
  3. zoen = bees (Brakels)
  4. zoen = beis (Giesbaargs)
  5. zoen = doetje (Gronings)
  6. zoen = muulke (Nederweerts)
  7. zoen = muulke (Sittards)
  8. zoen = piepre (Avelgems)
  9. zoen = piepre, pieptje, totje (Kortemarks)
  10. zoen = poen (Margratens)
  11. zoen = poen (Bilzers)
  12. zoen = poes (Huizers)
  13. zoen = smok (Gronings)
  14. zoen = smok (Giethoorns)
  15. zoen = tot (Ostêns)
  16. zoen = tuut (Westerkwartiers)
  17. zoen = beeze (Zeels)
  18. zoen = muulke of kusmoel (Sevenums)
  19. Zoen = Smakkert (Twents)
  20. zoen = kuske (Gronings)
  21. Zoen = pieper (Veurns)
  22. zoen = bees (Herns (Herne, VL-B))
  23. zoen = een beeze, een pieperke (Gents)
  24. zoen = poen (Valkenburgs)
  25. zoen = toot, bees. (Clings)
  26. zoen = mun (Heusdens)
  27. zoen = pieper (Izegems)
  28. zoen = ne piepre, 'n piepke, 'n tootse (Waregems)
  29. zoen = tútsje (Fries)
  30. zoen = touwte (Ronsisch)
  31. zoen = smok (Sallands)
  32. zoen = poen (Genker)
  33. zoen = smok (Ostêns)
  34. zoen = smok (Westerkwartiers)
  35. zoen = puûn (Kanners)
  36. Zoen = Piep' r (mv piep' rs) (West-Vlaams)
  37. zoen = kus, een smokse (Doornspijks)
  38. zoen = muleke, miejlke (Brees)
  39. zoen = toot (Graauws)
  40. zoen = kussie (Sallands)
  41. zoen = tút (Fries)
  42. Zoen = Smok (Hoogeveens)
  43. zoen = smokse (Kampers)
  44. Zoen = Smok (Hogelandsters)
  45. Zoen = Smok,,, smakkert, (Giethoorns)
  46. zoen = puunke (Hunsels)
  47. zoen = kösmoel (Tegels)


11 vertalingen voor het dialectwoord `zoen`

  1. zoën = zaaien (Lebbeeks)
  2. zoen = zouden (Kaprijks)
  3. zoen = zo'n (Antwerps)
  4. zoèn = zoon (Brakels (gld))
  5. zoen = zon (Opglabbeeks)
  6. zoën = zoon (Bilzers)
  7. zoen = zulke (Kanners)
  8. zoen = zon (Brees)
  9. zoên = zoon (Sevenums)
  10. zoën = koken (Moes)
  11. zoën = zijn (Leuvens)