Vind een (dialect)woord

Toon woorden

Op de kaart

Op deze kaart staan 48 dialectwoorden voor `Bijten`. Zoom in of verschuif de map om ze beter te zien. Klik op een woord om de naam van het dialect te zien.
Hier zijn 10 willekeurige andere dialectwoorden : hitte (38x) : balkenbrij (45x) : engel (24x) : scherp (25x) : vlegel (23x) : groeten (22x) : kaart (41x) : prutsen (91x) : slabbetje (43x) : vertrekken (42x)



50 vertalingen voor het Nederlandse woord `Bijten`

  1. bijten = biejte (Kessels)
  2. bijten = bèète (Tilburgs)
  3. bijten = biejten (Neerpelts)
  4. bijten = biet' n (Achterhoeks)
  5. bijten = biet'n (Westerkwartiers)
  6. bijten = biete (Nijmeegs)
  7. bijten = biète (Venloos)
  8. bijten = biete (Sittards)
  9. bijten = bieten (Drents)
  10. bijten = biêten (Budels)
  11. bijten = bieten (Neerpelts)
  12. bijten = biêten (Overpelts)
  13. bijten = bietn (Twents)
  14. bijten = bijte (Bilzers)
  15. bijten = bitte (Slands)
  16. bijten = bytn (Kortemarks)
  17. Bijten = Bie-te (Zurriks)
  18. bijten = biehte (Heldens)
  19. bijten = biete (Arnhems)
  20. Bijten = Biete (Zurriks)
  21. bijten = biêten (Sevenums)
  22. bijten = bietn (Ostêns)
  23. bijten = biete (Eys)
  24. bijten = biete (Mestreechs)
  25. bijten = bietn (Brugs)
  26. bijten = biehte (Heerlens)
  27. bijten = biete (Kinroois)
  28. bijten = bite (Fries)
  29. bijten = knoeppe (Munsterbilzen - Minsters)
  30. bijten = biette (Opglabbeeks)
  31. bijten = bieten, bietun (Lunters)
  32. bijten = baten (Geels)
  33. bijten = biête (Kanners)
  34. bijten = knaove (Mechels (BE))
  35. bijten = biete (Eesjdens)
  36. bijten = biete (Steins)
  37. bijten = bèète, (tt bèt, vt bêet) (Tilburgs)
  38. bijten = baittë (Millers)
  39. Bijten = biete (Mechels (NL))
  40. bijten = beete (Vlijtingens)
  41. Bijten = Baate (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
  42. bijten = bieten (Poperings)
  43. bijten = biéte (nijswillers)
  44. Bijten = Bieten (Hoogeveens)
  45. bijten = biesze (Bocholtz)
  46. Bijten = Biet'n (Hierdens)
  47. Bijten = Biete (Liemers)
  48. bijten = bijte bijt, bits, bit; bieët; gebieëte (Genker)
  49. Bijten = Knauwen / Knauwuh (Utrechts)
  50. bijten = biete, bit, gebette (Barghs)