Vind een (dialect)woord

Toon woorden

Op de kaart

Op deze kaart staan 35 dialectwoorden voor `uitleggen`. Zoom in of verschuif de map om ze beter te zien. Klik op een woord om de naam van het dialect te zien.
Hier zijn 10 willekeurige andere dialectwoorden : peperkoek (69x) : doodsprentje (22x) : babbelkous (25x) : braken (85x) : Steegje (31x) : kaartje (25x) : kiespijn (29x) : scheldwoord (23x) : zeveren (55x) : traag (25x)



39 vertalingen voor het Nederlandse woord `uitleggen`

  1. uitleggen = oetlègke (Kinroois)
  2. uitleggen = ekspliekeren (Brakels)
  3. uitleggen = oetleggen (Budels)
  4. uitleggen = oezeree-leje (Kerkraads)
  5. uitleggen = uutduten\uutduusen (Zeeuws)
  6. uitleggen = verdutsje (Geuls)
  7. uitleggen = verduutsje (Kerkraads)
  8. uitleggen = een rezonneke doen (Antwerps)
  9. uitleggen = explikeren (Antwerps)
  10. Uitleggen = Oetlegge (Zurriks)
  11. uitleggen = uutdujje (Genneps)
  12. uitleggen = uutduuien (Elspeet)
  13. uitleggen = verdutsje (Susters)
  14. uitleggen = uutèèndoen (Kortemarks)
  15. uitleggen = utlèhn (Zeeuws)
  16. uitleggen = aatlaaie (Tiens)
  17. uitleggen = verduutsje (Heerlens)
  18. uitleggen = uutduusen (Zeeuws)
  19. uitleggen = verduutse (Weerts)
  20. uitleggen = autlègge (Hoeselts)
  21. uitleggen = explicere (Gents)
  22. uitleggen = uutstokken (Stellingwarfs)
  23. uitleggen = eksplekiëre (Munsterbilzen - Minsters)
  24. uitleggen = uutduud'n (Westerkwartiers)
  25. uitleggen = eksplikiëre (Munsterbilzen - Minsters)
  26. Uitleggen = Uutdujje (Liemers)
  27. uitleggen = ötlejje (Stals)
  28. uitleggen = awtlèggë (Millers)
  29. uitleggen = eksplikieëre (Munsterbilzen - Minsters)
  30. Uitleggen = Expliqueren (Harelbeeks)
  31. uitleggen = uutein doon, verduutse (Weerts)
  32. uitleggen = outlègge: eksplikeere (Genker)
  33. uitleggen = verduutsje (Sjeeter plat)
  34. uitleggen = eksplikeern (Kaprijks)
  35. Uitleggen = Verduudsje (Mechels (NL))
  36. uitleggen = èksplikérne, èksplikérdege, gèksplikért (oudenaards)
  37. uitleggen = explikeire (Rotselaars)
  38. uitleggen = uitleije (Heusdens)
  39. uitleggen = oetlègke (ww) lag oet - oetgelag, oetgelagtj (Heitsers)