Werkwoord vervoegen

Typ een werkwoord in één van de talen NL, DE, EN, ES of FR.

Vervoeg

NL: jagen
DE: jagen    Vertaal    Voorbeelden    Synoniemen
Partizip Perfekt & Präsens
gejagt
jagend

Indikativ Präsens
ich jage
du jagst
er jagt
wir jagen
ihr jagt
sie; Sie jagen

Indikativ Perfekt
ich habe gejagt
du hast gejagt
er hat gejagt
wir haben gejagt
ihr habt gejagt
sie; Sie haben gejagt

Indikativ Präteritum
ich jagte
du jagtest
er jagte
wir jagten
ihr jagtet
sie; Sie jagten

Indikativ Plusquamperfekt
ich hatte gejagt
du hattest gejagt
er hatte gejagt
wir hatten gejagt
ihr hattet gejagt
sie; Sie hatten gejagt

Indikativ Futur I
ich werde jagen
du wirst jagen
er wird jagen
wir werden jagen
ihr werdet jagen
sie; Sie werden jagen

Indikativ Futur II
ich werde gejagt haben
du wirst gejagt haben
er wird gejagt haben
wir werden gejagt haben
ihr werdet gejagt haben
sie; Sie werden gejagt haben

Konjunktiv I Präsens
ich jage
du jagest
er jage
wir jagen
ihr jaget
sie; Sie jagen

Konjunktiv I Perfekt
ich habe gejagt
du habest gejagt
er habe gejagt
wir haben gejagt
ihr habet gejagt
sie; Sie haben gejagt

Konjunktiv II Präsens
ich jagte
du jagtest
er jagte
wir jagten
ihr jagtet
sie; Sie jagten

Konjunktiv II Perfekt
ich hätte gejagt
du hättest gejagt
er hätte gejagt
wir hätten gejagt
ihr hättet gejagt
sie; Sie hätten gejagt

Konjunktiv II Futur I
ich würde jagen
du würdest jagen
er würde jagen
wir würden jagen
ihr würdet jagen
sie; Sie würden jagen

Konjunktiv II Futur II
ich würde gejagt haben
du würdest gejagt haben
er würde gejagt haben
wir würden gejagt haben
ihr würdet gejagt haben
sie; Sie würden gejagt haben

der Imperativ
du jage



NL: jagen

U: Vervoeg zoals `jij`. Men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`.

Voltooid deelwoord
gejaagd

Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
ik jaag
jij jaagt
hij jaagt
wij jagen
jullie jagen
zij jagen

Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb gejaagd
jij hebt gejaagd
hij heeft gejaagd
wij hebben gejaagd
jullie hebben gejaagd
zij hebben gejaagd

Onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik jaagde
jij jaagde
hij jaagde
wij jaagden
jullie jaagden
zij jaagden

Voltooid verleden tijd (vvt)
ik had gejaagd
jij had gejaagd
hij had gejaagd
wij hadden gejaagd
jullie hadden gejaagd
zij hadden gejaagd

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal jagen
jij zult jagen
hij zal jagen
wij zullen jagen
jullie zullen jagen
zij zullen jagen

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal gejaagd hebben
jij zult gejaagd hebben
hij zal gejaagd hebben
wij zullen gejaagd hebben
jullie zullen gejaagd hebben
zij zullen gejaagd hebben

Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou jagen
jij zou jagen
hij zou jagen
wij zouden jagen
jullie zouden jagen
zij zouden jagen

Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou gejaagd hebben
jij zou gejaagd hebben
hij zou gejaagd hebben
wij zouden gejaagd hebben
jullie zouden gejaagd hebben
zij zouden gejaagd hebben

Gebiedende wijs
jaag

Aanvoegende wijs
jage

Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden


Duitse werkwoorden


Engelse werkwoorden


Franse werkwoorden


Spaanse werkwoorden