Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

dichten vervoegen

Vul een werkwoord of werkwoordsvorm in van een Nederlands, Duits,
Engels, Frans of Spaans werkwoord.
Bv: denken, dacht, sms'en, sein, have, avoir, être, aller, hablar





DE: dichten

NL: dichten
Synoniemen: breeuwen, dichten

DE: abdichten, stopfen, zustopfen, schreiben, reimen, verfassen

U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
gedicht
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik dicht
jij dicht
hij dicht
wij dichten
jullie dichten
zij dichten
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb gedicht
jij hebt gedicht
hij heeft gedicht
wij hebben gedicht
jullie hebben gedicht
zij hebben gedicht
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik dichtte
jij dichtte
hij dichtte
wij dichtten
jullie dichtten
zij dichtten
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had gedicht
jij had gedicht
hij had gedicht
wij hadden gedicht
jullie hadden gedicht
zij hadden gedicht
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal dichten
jij zult dichten
hij zal dichten
wij zullen dichten
jullie zullen dichten
zij zullen dichten
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal gedicht hebben
jij zult gedicht hebben
hij zal gedicht hebben
wij zullen gedicht hebben
jullie zullen gedicht hebben
zij zullen gedicht hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou dichten
jij zou dichten
hij zou dichten
wij zouden dichten
jullie zouden dichten
zij zouden dichten
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou gedicht hebben
jij zou gedicht hebben
hij zou gedicht hebben
wij zouden gedicht hebben
jullie zouden gedicht hebben
zij zouden gedicht hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
dicht


DE: dichten
Synoniemen: abdichten, stopfen, zustopfen, schreiben, reimen, verfassen

NL: breeuwen, dichten
Partizip Perfekt & Präsens
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II)
`komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I)
gedichtet
dichtend
Indikativ Präsens
der Indikativ = aantonende wijs
ich dichte
du dichtest
er dichtet
wir dichten
ihr dichtet
sie; Sie dichten
Indikativ Perfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich habe gedichtet
du hast gedichtet
er hat gedichtet
wir haben gedichtet
ihr habt gedichtet
sie; Sie haben gedichtet
Indikativ Präteritum
der Indikativ = aantonende wijs
ich dichtete
du dichtetest
er dichtete
wir dichteten
ihr dichtetet
sie; Sie dichteten
Indikativ Plusquamperfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich hatte gedichtet
du hattest gedichtet
er hatte gedichtet
wir hatten gedichtet
ihr hattet gedichtet
sie; Sie hatten gedichtet
Indikativ Futur I
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde dichten
du wirst dichten
er wird dichten
wir werden dichten
ihr werdet dichten
sie; Sie werden dichten
Indikativ Futur II
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde gedichtet haben
du wirst gedichtet haben
er wird gedichtet haben
wir werden gedichtet haben
ihr werdet gedichtet haben
sie; Sie werden gedichtet haben
Konjunktiv I Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich dichte
du dichtest
er dichte
wir dichten
ihr dichtet
sie; Sie dichten
Konjunktiv I Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich habe gedichtet
du habest gedichtet
er habe gedichtet
wir haben gedichtet
ihr habet gedichtet
sie; Sie haben gedichtet
Konjunktiv II Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich dichtete
du dichtetest
er dichtete
wir dichteten
ihr dichtetet
sie; Sie dichteten
Konjunktiv II Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hätte gedichtet
du hättest gedichtet
er hätte gedichtet
wir hätten gedichtet
ihr hättet gedichtet
sie; Sie hätten gedichtet
Konjunktiv II Futur I
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde dichten
du würdest dichten
er würde dichten
wir würden dichten
ihr würdet dichten
sie; Sie würden dichten
Konjunktiv II Futur II
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde gedichtet haben
du würdest gedichtet haben
er würde gedichtet haben
wir würden gedichtet haben
ihr würdet gedichtet haben
sie; Sie würden gedichtet haben
der Imperativ
der Imperativ = gebiedende wijs
du dichte

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/dichten

Werkwoorden A tot (en met) Z



Nederlandse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Duitse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Engelse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Franse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Spaanse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z



© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English