NL: verhelen U: Vervoeg zoals `jij`. Men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`.
|
| Voltooid deelwoord |
verheeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
ik verheel jij verheelt hij verheelt wij verhelen jullie verhelen zij verhelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
ik heb verheeld jij hebt verheeld hij heeft verheeld wij hebben verheeld jullie hebben verheeld zij hebben verheeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
ik verheelde jij verheelde hij verheelde wij verheelden jullie verheelden zij verheelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
ik had verheeld jij had verheeld hij had verheeld wij hadden verheeld jullie hadden verheeld zij hadden verheeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
ik zal verhelen jij zult verhelen hij zal verhelen wij zullen verhelen jullie zullen verhelen zij zullen verhelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
ik zal verheeld hebben jij zult verheeld hebben hij zal verheeld hebben wij zullen verheeld hebben jullie zullen verheeld hebben zij zullen verheeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
ik zou verhelen jij zou verhelen hij zou verhelen wij zouden verhelen jullie zouden verhelen zij zouden verhelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
ik zou verheeld hebben jij zou verheeld hebben hij zou verheeld hebben wij zouden verheeld hebben jullie zouden verheeld hebben zij zouden verheeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
verheel
|
| Aanvoegende wijs |
| verhele |