Werkwoord vervoegen

Typ een werkwoord in één van de talen NL, DE, EN, ES of FR.

Vervoeg

DE: treffen
NL: treffen

U: Vervoeg zoals `jij`. Men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`.

Voltooid deelwoord
getroffen

Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
ik tref
jij treft
hij treft
wij treffen
jullie treffen
zij treffen

Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb getroffen
jij hebt getroffen
hij heeft getroffen
wij hebben getroffen
jullie hebben getroffen
zij hebben getroffen

Onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik trof
jij trof
hij trof
wij troffen
jullie troffen
zij troffen

Voltooid verleden tijd (vvt)
ik had getroffen
jij had getroffen
hij had getroffen
wij hadden getroffen
jullie hadden getroffen
zij hadden getroffen

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal treffen
jij zult treffen
hij zal treffen
wij zullen treffen
jullie zullen treffen
zij zullen treffen

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal getroffen hebben
jij zult getroffen hebben
hij zal getroffen hebben
wij zullen getroffen hebben
jullie zullen getroffen hebben
zij zullen getroffen hebben

Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou treffen
jij zou treffen
hij zou treffen
wij zouden treffen
jullie zouden treffen
zij zouden treffen

Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou getroffen hebben
jij zou getroffen hebben
hij zou getroffen hebben
wij zouden getroffen hebben
jullie zouden getroffen hebben
zij zouden getroffen hebben

Gebiedende wijs
tref

Aanvoegende wijs
treffe


DE: treffen    Vertaal    Voorbeelden    Synoniemen
Partizip Perfekt & Präsens
getroffen
treffend

Indikativ Präsens
ich treffe
du triffst
er trifft
wir treffen
ihr trefft
sie; Sie treffen

Indikativ Perfekt
ich habe getroffen
du hast getroffen
er hat getroffen
wir haben getroffen
ihr habt getroffen
sie; Sie haben getroffen

Indikativ Präteritum
ich traf
du trafst
er traf
wir trafen
ihr traft
sie; Sie trafen

Indikativ Plusquamperfekt
ich hatte getroffen
du hattest getroffen
er hatte getroffen
wir hatten getroffen
ihr hattet getroffen
sie; Sie hatten getroffen

Indikativ Futur I
ich werde treffen
du wirst treffen
er wird treffen
wir werden treffen
ihr werdet treffen
sie; Sie werden treffen

Indikativ Futur II
ich werde getroffen haben
du wirst getroffen haben
er wird getroffen haben
wir werden getroffen haben
ihr werdet getroffen haben
sie; Sie werden getroffen haben

Konjunktiv I Präsens
ich treffe
du treffest
er treffe
wir treffen
ihr treffet
sie; Sie treffen

Konjunktiv I Perfekt
ich habe getroffen
du habest getroffen
er habe getroffen
wir haben getroffen
ihr habet getroffen
sie; Sie haben getroffen

Konjunktiv II Präsens
ich träfe
du träfest
er träfe
wir träfen
ihr träfet
sie; Sie träfen

Konjunktiv II Perfekt
ich hätte getroffen
du hättest getroffen
er hätte getroffen
wir hätten getroffen
ihr hättet getroffen
sie; Sie hätten getroffen

Konjunktiv II Futur I
ich würde treffen
du würdest treffen
er würde treffen
wir würden treffen
ihr würdet treffen
sie; Sie würden treffen

Konjunktiv II Futur II
ich würde getroffen haben
du würdest getroffen haben
er würde getroffen haben
wir würden getroffen haben
ihr würdet getroffen haben
sie; Sie würden getroffen haben

der Imperativ
du triff


Voorbeelden

  1. Treffen Sie, falls erforderlich, die notwendigen Vorsorgemaßnahmen
    Neem indien nodig voorzorgsmaatregelen
  2. Wo die Herengracht und die Brauersgracht aufeinander treffen, befindet sich das Westindien-Haus
    Waar de Brouwersgracht en de Herengracht bij elkaar komen, staat aan de Herenmarkt het West-Indisch Huis
  3. Dazu treffen sich alle Bauern auf der Alp, um die Kühe zu melken und die gewonnene Milchmenge zu wiegen
    Bij het “mäsmelchen” komen alle boeren samen op de alp om de koeien te melken en de opbrengst te wegen
  4. Am Morgen des ersten Februarsamstages treffen sich die älteren Schülerinnen und Schüler auf dem Dorfplatz von Scuol, um den Hom Strom herzustellen
    Op de ochtend van de eerste zaterdag in februari treffen de oudere scholieren elkaar op het dorpsplein van Scuol om de Hom Strom te maken
  5. Dort treffen sich Einheimische und Gäste aus ganz ``rund um Visp`` zum Kauf von Frischeprodukten und zum Feierabend-Apéro
    Daar treffen zich bewoners en gasten uit heel Visp en omgeving voor het kopen van verse producten en voor een vrijdagavond-borrel
  6. Wir treffen uns am Bahnhof
    we zien elkaar op het station
  7. Wie spät und wo treffen wir uns?
    Hoe laat en waar ontmoeten we elkaar?
  8. Ja, wie spät und wo treffen wir uns?
    Ja, hoe laat en waar ontmoeten we elkaar?
  9. Wenn ich mit meinen Eltern weg bin, habe ich weniger Chancen süße Typen zu treffen
    Als ik weg ben met mijn ouders, heb ik minder kans om fijne types te ontmoeten
  10. Adjektive wie „eigensinnig“ und „stolz“ treffen jedoch sicherlich auf die Einwohner Gents zu
    Maar adjectieven als eigenzinnig en trots zijn zeker op hem van toepassing

Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden


Duitse werkwoorden


Engelse werkwoorden


Franse werkwoorden


Spaanse werkwoorden