Werkwoord vervoegen

Typ een werkwoord in één van de talen NL, DE, EN, ES of FR.

Vervoeg

DE: trachten
NL: trachten

U: Vervoeg zoals `jij`. Men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`.

Voltooid deelwoord
getracht

Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
ik tracht
jij tracht
hij tracht
wij trachten
jullie trachten
zij trachten

Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb getracht
jij hebt getracht
hij heeft getracht
wij hebben getracht
jullie hebben getracht
zij hebben getracht

Onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik trachtte
jij trachtte
hij trachtte
wij trachtten
jullie trachtten
zij trachtten

Voltooid verleden tijd (vvt)
ik had getracht
jij had getracht
hij had getracht
wij hadden getracht
jullie hadden getracht
zij hadden getracht

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal trachten
jij zult trachten
hij zal trachten
wij zullen trachten
jullie zullen trachten
zij zullen trachten

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal getracht hebben
jij zult getracht hebben
hij zal getracht hebben
wij zullen getracht hebben
jullie zullen getracht hebben
zij zullen getracht hebben

Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou trachten
jij zou trachten
hij zou trachten
wij zouden trachten
jullie zouden trachten
zij zouden trachten

Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou getracht hebben
jij zou getracht hebben
hij zou getracht hebben
wij zouden getracht hebben
jullie zouden getracht hebben
zij zouden getracht hebben

Gebiedende wijs
tracht

Aanvoegende wijs
trachte


DE: trachten    Vertaal    Voorbeelden    Synoniemen
Partizip Perfekt & Präsens
getrachtet
trachtend

Indikativ Präsens
ich trachte
du trachtest
er trachtet
wir trachten
ihr trachtet
sie; Sie trachten

Indikativ Perfekt
ich habe getrachtet
du hast getrachtet
er hat getrachtet
wir haben getrachtet
ihr habt getrachtet
sie; Sie haben getrachtet

Indikativ Präteritum
ich trachtete
du trachtetest
er trachtete
wir trachteten
ihr trachtetet
sie; Sie trachteten

Indikativ Plusquamperfekt
ich hatte getrachtet
du hattest getrachtet
er hatte getrachtet
wir hatten getrachtet
ihr hattet getrachtet
sie; Sie hatten getrachtet

Indikativ Futur I
ich werde trachten
du wirst trachten
er wird trachten
wir werden trachten
ihr werdet trachten
sie; Sie werden trachten

Indikativ Futur II
ich werde getrachtet haben
du wirst getrachtet haben
er wird getrachtet haben
wir werden getrachtet haben
ihr werdet getrachtet haben
sie; Sie werden getrachtet haben

Konjunktiv I Präsens
ich trachte
du trachtest
er trachte
wir trachten
ihr trachtet
sie; Sie trachten

Konjunktiv I Perfekt
ich habe getrachtet
du habest getrachtet
er habe getrachtet
wir haben getrachtet
ihr habet getrachtet
sie; Sie haben getrachtet

Konjunktiv II Präsens
ich trachtete
du trachtetest
er trachtete
wir trachteten
ihr trachtetet
sie; Sie trachteten

Konjunktiv II Perfekt
ich hätte getrachtet
du hättest getrachtet
er hätte getrachtet
wir hätten getrachtet
ihr hättet getrachtet
sie; Sie hätten getrachtet

Konjunktiv II Futur I
ich würde trachten
du würdest trachten
er würde trachten
wir würden trachten
ihr würdet trachten
sie; Sie würden trachten

Konjunktiv II Futur II
ich würde getrachtet haben
du würdest getrachtet haben
er würde getrachtet haben
wir würden getrachtet haben
ihr würdet getrachtet haben
sie; Sie würden getrachtet haben

der Imperativ
du trachte


Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden


Duitse werkwoorden


Engelse werkwoorden


Franse werkwoorden


Spaanse werkwoorden