Werkwoord vervoegen

Typ een werkwoord in één van de talen NL, DE, EN, ES of FR.

Vervoeg

NL: toebehoren

U: Vervoeg zoals `jij`. Men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`.

Voltooid deelwoord
toebehoord

Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
ik behoor toe
jij behoort toe
hij behoort toe
wij behoren toe
jullie behoren toe
zij behoren toe

Tegenwoordige tijd, bijzinsvolgorde
dat ik toebehoor
dat jij toebehoort
dat hij toebehoort
dat wij toebehoren
dat jullie toebehoren
dat zij toebehoren

Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb toebehoord
jij hebt toebehoord
hij heeft toebehoord
wij hebben toebehoord
jullie hebben toebehoord
zij hebben toebehoord

Onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik behoorde toe
jij behoorde toe
hij behoorde toe
wij behoorden toe
jullie behoorden toe
zij behoorden toe

Verleden tijd, bijzinsvolgorde
dat ik toebehoorde
dat jij toebehoorde
dat hij toebehoorde
dat wij toebehoorden
dat jullie toebehoorden
dat zij toebehoorden

Voltooid verleden tijd (vvt)
ik had toebehoord
jij had toebehoord
hij had toebehoord
wij hadden toebehoord
jullie hadden toebehoord
zij hadden toebehoord

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal toebehoren
jij zult toebehoren
hij zal toebehoren
wij zullen toebehoren
jullie zullen toebehoren
zij zullen toebehoren

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal toebehoord hebben
jij zult toebehoord hebben
hij zal toebehoord hebben
wij zullen toebehoord hebben
jullie zullen toebehoord hebben
zij zullen toebehoord hebben

Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou toebehoren
jij zou toebehoren
hij zou toebehoren
wij zouden toebehoren
jullie zouden toebehoren
zij zouden toebehoren

Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou toebehoord hebben
jij zou toebehoord hebben
hij zou toebehoord hebben
wij zouden toebehoord hebben
jullie zouden toebehoord hebben
zij zouden toebehoord hebben

Gebiedende wijs
hoor toe

Aanvoegende wijs
toebehore

Voorbeelden

  1. Aan ons allen toebehoren
    # They belong to us all
  2. Mijn hart zal Abigail toebehoren.
    My heart shall belong to Abigail.
  3. De landen die hen toebehoren.
    The lands that belong to them.
  4. Haar ziel zal mij toebehoren.
    Her soul will belong to me.
  5. Ze zal jou niet toebehoren!
    She will not be yours!
  6. Een pak spullen en toebehoren verzameld.
    Stockpiled a lot of gear and different supplies.
  7. Camera' s, films, statieven, toebehoren, enzvoort.
    Cameras, films, tripods, attachments, etc.
  8. Ze ging wat toebehoren gaan halen.
    She went to get some supplies.
  9. Alleen dan kan je mij toebehoren.
    Only then can you belong to me
  10. Denk je dat we aan je toebehoren?
    Do you think we belong to you?

Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden


Duitse werkwoorden


Engelse werkwoorden


Franse werkwoorden


Spaanse werkwoorden