NL: toebehoren U: Vervoeg zoals `jij`. Men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`.
|
| Voltooid deelwoord |
toebehoord
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
ik behoor toe jij behoort toe hij behoort toe wij behoren toe jullie behoren toe zij behoren toe
|
| Tegenwoordige tijd, bijzinsvolgorde |
dat ik toebehoor dat jij toebehoort dat hij toebehoort dat wij toebehoren dat jullie toebehoren dat zij toebehoren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
ik heb toebehoord jij hebt toebehoord hij heeft toebehoord wij hebben toebehoord jullie hebben toebehoord zij hebben toebehoord
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
ik behoorde toe jij behoorde toe hij behoorde toe wij behoorden toe jullie behoorden toe zij behoorden toe
|
| Verleden tijd, bijzinsvolgorde |
dat ik toebehoorde dat jij toebehoorde dat hij toebehoorde dat wij toebehoorden dat jullie toebehoorden dat zij toebehoorden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
ik had toebehoord jij had toebehoord hij had toebehoord wij hadden toebehoord jullie hadden toebehoord zij hadden toebehoord
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
ik zal toebehoren jij zult toebehoren hij zal toebehoren wij zullen toebehoren jullie zullen toebehoren zij zullen toebehoren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
ik zal toebehoord hebben jij zult toebehoord hebben hij zal toebehoord hebben wij zullen toebehoord hebben jullie zullen toebehoord hebben zij zullen toebehoord hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
ik zou toebehoren jij zou toebehoren hij zou toebehoren wij zouden toebehoren jullie zouden toebehoren zij zouden toebehoren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
ik zou toebehoord hebben jij zou toebehoord hebben hij zou toebehoord hebben wij zouden toebehoord hebben jullie zouden toebehoord hebben zij zouden toebehoord hebben
|
| Gebiedende wijs |
hoor toe
|
| Aanvoegende wijs |
| toebehore |