NL: seizen U: Vervoeg zoals `jij`. Men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`.
|
| Voltooid deelwoord |
geseisd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
ik seis jij seist hij seist wij seizen jullie seizen zij seizen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
ik heb geseisd jij hebt geseisd hij heeft geseisd wij hebben geseisd jullie hebben geseisd zij hebben geseisd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
ik seisde jij seisde hij seisde wij seisden jullie seisden zij seisden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
ik had geseisd jij had geseisd hij had geseisd wij hadden geseisd jullie hadden geseisd zij hadden geseisd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
ik zal seizen jij zult seizen hij zal seizen wij zullen seizen jullie zullen seizen zij zullen seizen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
ik zal geseisd hebben jij zult geseisd hebben hij zal geseisd hebben wij zullen geseisd hebben jullie zullen geseisd hebben zij zullen geseisd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
ik zou seizen jij zou seizen hij zou seizen wij zouden seizen jullie zouden seizen zij zouden seizen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
ik zou geseisd hebben jij zou geseisd hebben hij zou geseisd hebben wij zouden geseisd hebben jullie zouden geseisd hebben zij zouden geseisd hebben
|
| Gebiedende wijs |
seis
|
| Aanvoegende wijs |
| seize |