Werkwoord vervoegen

Typ een werkwoord in één van de talen NL, DE, EN, ES of FR.

Vervoeg

NL: ophalen

U: Vervoeg zoals `jij`. Men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`.

Voltooid deelwoord
opgehaald

Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
ik haal op
jij haalt op
hij haalt op
wij halen op
jullie halen op
zij halen op

Tegenwoordige tijd, bijzinsvolgorde
dat ik ophaal
dat jij ophaalt
dat hij ophaalt
dat wij ophalen
dat jullie ophalen
dat zij ophalen

Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb opgehaald
jij hebt opgehaald
hij heeft opgehaald
wij hebben opgehaald
jullie hebben opgehaald
zij hebben opgehaald

Onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik haalde op
jij haalde op
hij haalde op
wij haalden op
jullie haalden op
zij haalden op

Verleden tijd, bijzinsvolgorde
dat ik ophaalde
dat jij ophaalde
dat hij ophaalde
dat wij ophaalden
dat jullie ophaalden
dat zij ophaalden

Voltooid verleden tijd (vvt)
ik had opgehaald
jij had opgehaald
hij had opgehaald
wij hadden opgehaald
jullie hadden opgehaald
zij hadden opgehaald

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal ophalen
jij zult ophalen
hij zal ophalen
wij zullen ophalen
jullie zullen ophalen
zij zullen ophalen

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal opgehaald hebben
jij zult opgehaald hebben
hij zal opgehaald hebben
wij zullen opgehaald hebben
jullie zullen opgehaald hebben
zij zullen opgehaald hebben

Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou ophalen
jij zou ophalen
hij zou ophalen
wij zouden ophalen
jullie zouden ophalen
zij zouden ophalen

Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou opgehaald hebben
jij zou opgehaald hebben
hij zou opgehaald hebben
wij zouden opgehaald hebben
jullie zouden opgehaald hebben
zij zouden opgehaald hebben

Gebiedende wijs
haal op

Aanvoegende wijs
ophale

Voorbeelden

  1. Mike, Amy, haal op.
    Mike, Amy, pick' em up.
  2. Ik haal op weg naar huis wel wat whisky.
    I 'll pick up some Bushmill 's on the way.
  3. Ik zou wel een hele haal op kunnen eten!
    I think I want to eat some shark.
  4. Haal op de hoek daar' n frisdrank uit de automaat voor me.
    Run over to the corner there to that machine and get me a pop.
  5. Ik haal op de terugweg wel wat te drinken om het goed te maken.
    I 'll buy you a drink on my way back to make up for it.
  6. Mijn collega ophalen.
    Picking up my colleague.
  7. Moet het ophalen.
    Gotta re-Qualify.
  8. Ga Penelope ophalen.
    Go pick up Penelope.
  9. De boefies ophalen.
    Pick up the rascals.
  10. Oude herinneringen ophalen?
    Catching up on old times?

Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden


Duitse werkwoorden


Engelse werkwoorden


Franse werkwoorden


Spaanse werkwoorden