Werkwoord vervoegen

Typ een werkwoord in één van de talen NL, DE, EN, ES of FR.

Vervoeg

NL: ontdubbelen

U: Vervoeg zoals `jij`. Men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`.

Voltooid deelwoord
ontdubbeld

Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
ik ontdubbel
jij ontdubbelt
hij ontdubbelt
wij ontdubbelen
jullie ontdubbelen
zij ontdubbelen

Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb ontdubbeld
jij hebt ontdubbeld
hij heeft ontdubbeld
wij hebben ontdubbeld
jullie hebben ontdubbeld
zij hebben ontdubbeld

Onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik ontdubbelde
jij ontdubbelde
hij ontdubbelde
wij ontdubbelden
jullie ontdubbelden
zij ontdubbelden

Voltooid verleden tijd (vvt)
ik had ontdubbeld
jij had ontdubbeld
hij had ontdubbeld
wij hadden ontdubbeld
jullie hadden ontdubbeld
zij hadden ontdubbeld

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal ontdubbelen
jij zult ontdubbelen
hij zal ontdubbelen
wij zullen ontdubbelen
jullie zullen ontdubbelen
zij zullen ontdubbelen

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal ontdubbeld hebben
jij zult ontdubbeld hebben
hij zal ontdubbeld hebben
wij zullen ontdubbeld hebben
jullie zullen ontdubbeld hebben
zij zullen ontdubbeld hebben

Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou ontdubbelen
jij zou ontdubbelen
hij zou ontdubbelen
wij zouden ontdubbelen
jullie zouden ontdubbelen
zij zouden ontdubbelen

Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou ontdubbeld hebben
jij zou ontdubbeld hebben
hij zou ontdubbeld hebben
wij zouden ontdubbeld hebben
jullie zouden ontdubbeld hebben
zij zouden ontdubbeld hebben

Gebiedende wijs
ontdubbel

Aanvoegende wijs
ontdubbele

Voorbeelden

  1. ontdubbelen
    deduplicate

Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden


Duitse werkwoorden


Engelse werkwoorden


Franse werkwoorden


Spaanse werkwoorden