Werkwoord vervoegen

Typ een werkwoord in één van de talen NL, DE, EN, ES of FR.

Vervoeg

NL: multitasken

U: Vervoeg zoals `jij`. Men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`.

Voltooid deelwoord
gemultitaskt

Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
ik multitask
jij multitaskt
hij multitaskt
wij multitasken
jullie multitasken
zij multitasken

Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb gemultitaskt
jij hebt gemultitaskt
hij heeft gemultitaskt
wij hebben gemultitaskt
jullie hebben gemultitaskt
zij hebben gemultitaskt

Onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik multitaskte
jij multitaskte
hij multitaskte
wij multitaskten
jullie multitaskten
zij multitaskten

Voltooid verleden tijd (vvt)
ik had gemultitaskt
jij had gemultitaskt
hij had gemultitaskt
wij hadden gemultitaskt
jullie hadden gemultitaskt
zij hadden gemultitaskt

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal multitasken
jij zult multitasken
hij zal multitasken
wij zullen multitasken
jullie zullen multitasken
zij zullen multitasken

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal gemultitaskt hebben
jij zult gemultitaskt hebben
hij zal gemultitaskt hebben
wij zullen gemultitaskt hebben
jullie zullen gemultitaskt hebben
zij zullen gemultitaskt hebben

Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou multitasken
jij zou multitasken
hij zou multitasken
wij zouden multitasken
jullie zouden multitasken
zij zouden multitasken

Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou gemultitaskt hebben
jij zou gemultitaskt hebben
hij zou gemultitaskt hebben
wij zouden gemultitaskt hebben
jullie zouden gemultitaskt hebben
zij zouden gemultitaskt hebben

Gebiedende wijs
multitask

Aanvoegende wijs
multitaske

Voorbeelden

  1. Nou, multitask, dan.
    Well, multitask, then.
  2. Even multitasken.
    We 're multitasking here.
  3. Leer dan multitasken.
    Learn to multitask.
  4. Laten we multitasken, Charlie.
    Let 's multitask, Charlie.
  5. Dat noemt multitasken, Trevor.
    It 's called multitasking, Trevor.
  6. Je zult moeten multitasken.
    You 'll have to learn to multitask.
  7. Ik houd van multitasken.
    I like to multi-task.
  8. Hij moet toch leren multitasken.
    Gotta learn multi-tasking.
  9. Dan moet u me zien multitasken.
    Well... then watch me multitask.
  10. Het is ook mogelijk dat hij goed kan multitasken.
    It 's also possible he is great at multitasking.

Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden


Duitse werkwoorden


Engelse werkwoorden


Franse werkwoorden


Spaanse werkwoorden