NL: mooizitten U: Vervoeg zoals `jij`. Men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`.
|
| Voltooid deelwoord |
mooigezeten
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
ik zit mooi jij zit mooi hij zit mooi wij zitten mooi jullie zitten mooi zij zitten mooi
|
| Tegenwoordige tijd, bijzinsvolgorde |
dat ik mooizit dat jij mooizit dat hij mooizit dat wij mooizitten dat jullie mooizitten dat zij mooizitten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
ik heb mooigezeten jij hebt mooigezeten hij heeft mooigezeten wij hebben mooigezeten jullie hebben mooigezeten zij hebben mooigezeten
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
ik zat mooi jij zat mooi hij zat mooi wij zaten mooi jullie zaten mooi zij zaten mooi
|
| Verleden tijd, bijzinsvolgorde |
dat ik mooizat dat jij mooizat dat hij mooizat dat wij mooizaten dat jullie mooizaten dat zij mooizaten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
ik had mooigezeten jij had mooigezeten hij had mooigezeten wij hadden mooigezeten jullie hadden mooigezeten zij hadden mooigezeten
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
ik zal mooizitten jij zult mooizitten hij zal mooizitten wij zullen mooizitten jullie zullen mooizitten zij zullen mooizitten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
ik zal mooigezeten hebben jij zult mooigezeten hebben hij zal mooigezeten hebben wij zullen mooigezeten hebben jullie zullen mooigezeten hebben zij zullen mooigezeten hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
ik zou mooizitten jij zou mooizitten hij zou mooizitten wij zouden mooizitten jullie zouden mooizitten zij zouden mooizitten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
ik zou mooigezeten hebben jij zou mooigezeten hebben hij zou mooigezeten hebben wij zouden mooigezeten hebben jullie zouden mooigezeten hebben zij zouden mooigezeten hebben
|
| Gebiedende wijs |
zit mooi
|
| Aanvoegende wijs |
| mooizitte |