Werkwoord vervoegen

Typ een werkwoord in één van de talen NL, DE, EN, ES of FR.

Vervoeg

DE: klimmen
NL: klimmen

U: Vervoeg zoals `jij`. Men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`.

Voltooid deelwoord
geklommen

Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
ik klim
jij klimt
hij klimt
wij klimmen
jullie klimmen
zij klimmen

Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb geklommen
jij hebt geklommen
hij heeft geklommen
wij hebben geklommen
jullie hebben geklommen
zij hebben geklommen

Onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik klom
jij klom
hij klom
wij klommen
jullie klommen
zij klommen

Voltooid verleden tijd (vvt)
ik had geklommen
jij had geklommen
hij had geklommen
wij hadden geklommen
jullie hadden geklommen
zij hadden geklommen

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal klimmen
jij zult klimmen
hij zal klimmen
wij zullen klimmen
jullie zullen klimmen
zij zullen klimmen

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal geklommen hebben
jij zult geklommen hebben
hij zal geklommen hebben
wij zullen geklommen hebben
jullie zullen geklommen hebben
zij zullen geklommen hebben

Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou klimmen
jij zou klimmen
hij zou klimmen
wij zouden klimmen
jullie zouden klimmen
zij zouden klimmen

Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou geklommen hebben
jij zou geklommen hebben
hij zou geklommen hebben
wij zouden geklommen hebben
jullie zouden geklommen hebben
zij zouden geklommen hebben

Gebiedende wijs
klim

Aanvoegende wijs
klimme


DE: klimmen    Vertaal    Voorbeelden    Synoniemen
Partizip Perfekt & Präsens
geklommen
klimmend

Indikativ Präsens
ich klimme
du klimmst
er klimmt
wir klimmen
ihr klimmt
sie; Sie klimmen

Indikativ Perfekt
ich bin geklommen
du bist geklommen
er ist geklommen
wir sind geklommen
ihr seid geklommen
sie; Sie sind geklommen

Indikativ Präteritum
ich klomm
du klommst
er klomm
wir klommen
ihr klommt
sie; Sie klommen

Indikativ Plusquamperfekt
ich war geklommen
du warst geklommen
er war geklommen
wir waren geklommen
ihr wart geklommen
sie; Sie waren geklommen

Indikativ Futur I
ich werde klimmen
du wirst klimmen
er wird klimmen
wir werden klimmen
ihr werdet klimmen
sie; Sie werden klimmen

Indikativ Futur II
ich werde geklommen sein
du wirst geklommen sein
er wird geklommen sein
wir werden geklommen sein
ihr werdet geklommen sein
sie; Sie werden geklommen sein

Konjunktiv I Präsens
ich klimme
du klimmest
er klimme
wir klimmen
ihr klimmet
sie; Sie klimmen

Konjunktiv I Perfekt
ich sei geklommen
du seiest geklommen
er sei geklommen
wir seien geklommen
ihr seiet geklommen
sie; Sie seien geklommen

Konjunktiv II Präsens
ich klömme
du klömmest
er klömme
wir klömmen
ihr klömmet
sie; Sie klömmen

Konjunktiv II Perfekt
ich wäre geklommen
du wärest geklommen
er wäre geklommen
wir wären geklommen
ihr wäret geklommen
sie; Sie wären geklommen

Konjunktiv II Futur I
ich würde klimmen
du würdest klimmen
er würde klimmen
wir würden klimmen
ihr würdet klimmen
sie; Sie würden klimmen

Konjunktiv II Futur II
ich würde geklommen sein
du würdest geklommen sein
er würde geklommen sein
wir würden geklommen sein
ihr würdet geklommen sein
sie; Sie würden geklommen sein

der Imperativ
du klimme; klimm


Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden


Duitse werkwoorden


Engelse werkwoorden


Franse werkwoorden


Spaanse werkwoorden