Werkwoord vervoegen

Typ een werkwoord in één van de talen NL, DE, EN, ES of FR.

Vervoeg

NL: wenden
DE: wenden
NL: wennen
NL: gewennen

U: Vervoeg zoals `jij`. Men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`.

Voltooid deelwoord
gewend

Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
ik gewen
jij gewent
hij gewent
wij gewennen
jullie gewennen
zij gewennen

Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb gewend
jij hebt gewend
hij heeft gewend
wij hebben gewend
jullie hebben gewend
zij hebben gewend

Onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik gewende
jij gewende
hij gewende
wij gewenden
jullie gewenden
zij gewenden

Voltooid verleden tijd (vvt)
ik had gewend
jij had gewend
hij had gewend
wij hadden gewend
jullie hadden gewend
zij hadden gewend

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal gewennen
jij zult gewennen
hij zal gewennen
wij zullen gewennen
jullie zullen gewennen
zij zullen gewennen

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal gewend hebben
jij zult gewend hebben
hij zal gewend hebben
wij zullen gewend hebben
jullie zullen gewend hebben
zij zullen gewend hebben

Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou gewennen
jij zou gewennen
hij zou gewennen
wij zouden gewennen
jullie zouden gewennen
zij zouden gewennen

Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou gewend hebben
jij zou gewend hebben
hij zou gewend hebben
wij zouden gewend hebben
jullie zouden gewend hebben
zij zouden gewend hebben

Gebiedende wijs
gewen


Voorbeelden

  1. Jawel, onze Süss gaat hem een pak geld gewen.
    Oh yes, our Suss will give him a lot of money.
  2. ... niet aan gewend.
    ... she 's not used to that.
  3. Ze zijn hen gewend.
    They 're habituated to them.
  4. Je raakt eraan gewend.
    I 've had plenty of those.
  5. Hij is hieraan gewend.
    He 's used to this sort of thing.
  6. Jij bent geweld gewend.
    You are no stranger to violence.
  7. Ik raakte eraan gewend.
    I got used to it.
  8. Gewend aan dergelijke fixaties...
    Used to such fixations...
  9. Ik ben gewend om...
    I 'm just used to...
  10. Jij bent eraan gewend.
    You 're used to it.


NL: wenden

U: Vervoeg zoals `jij`. Men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`.

Voltooid deelwoord
gewend

Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
ik wend
jij wendt
hij wendt
wij wenden
jullie wenden
zij wenden

Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb gewend
jij hebt gewend
hij heeft gewend
wij hebben gewend
jullie hebben gewend
zij hebben gewend

Onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik wendde
jij wendde
hij wendde
wij wendden
jullie wendden
zij wendden

Voltooid verleden tijd (vvt)
ik had gewend
jij had gewend
hij had gewend
wij hadden gewend
jullie hadden gewend
zij hadden gewend

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal wenden
jij zult wenden
hij zal wenden
wij zullen wenden
jullie zullen wenden
zij zullen wenden

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal gewend hebben
jij zult gewend hebben
hij zal gewend hebben
wij zullen gewend hebben
jullie zullen gewend hebben
zij zullen gewend hebben

Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou wenden
jij zou wenden
hij zou wenden
wij zouden wenden
jullie zouden wenden
zij zouden wenden

Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou gewend hebben
jij zou gewend hebben
hij zou gewend hebben
wij zouden gewend hebben
jullie zouden gewend hebben
zij zouden gewend hebben

Gebiedende wijs
wend


Voorbeelden

  1. Ik wend supersnel.
    I turn on a dime.
  2. Neem een stoel, Wend.
    Have a seat there, Wend.
  3. Wend u tot hoofdinspecteur McBryde.
    Please refer to Superintendent McBryde.
  4. alsjeblieft, wend je blik niet af.
    Please, don 't avert your gaze.
  5. Wend je gezicht naar' t maanlicht
    Turn your face to the moonlight
  6. Wend je af, en kijk nogmaals.
    Look away, glance back.
  7. Wend direct af naar coördinaten twee...
    Immediately turn to coordinates two...
  8. Wend je ogen van de heks af.
    Avert your eyes from the witch.
  9. Wend je af, kijk niet naar me.
    Turn away, don 't look at me.
  10. Wend je af en bescherm je ogen.
    Turn away from it and protect your eyes!


DE: wenden    Vertaal    Voorbeelden    Synoniemen
Partizip Perfekt & Präsens
gewandt; gewendet
wendend

Indikativ Präsens
ich wende
du wendest
er wendet
wir wenden
ihr wendet
sie; Sie wenden

Indikativ Perfekt
ich habe gewandt; gewendet
du hast gewandt; gewendet
er hat gewandt; gewendet
wir haben gewandt; gewendet
ihr habt gewandt; gewendet
sie; Sie haben gewandt; gewendet

Indikativ Präteritum
ich wandte; wendete
du wandtest; wendetest
er wandte; wendete
wir wandten; wendeten
ihr wandtet; wendetet
sie; Sie wandten; wendeten

Indikativ Plusquamperfekt
ich hatte gewandt; gewendet
du hattest gewandt; gewendet
er hatte gewandt; gewendet
wir hatten gewandt; gewendet
ihr hattet gewandt; gewendet
sie; Sie hatten gewandt; gewendet

Indikativ Futur I
ich werde wenden
du wirst wenden
er wird wenden
wir werden wenden
ihr werdet wenden
sie; Sie werden wenden

Indikativ Futur II
ich werde gewandt; gewendet haben
du wirst gewandt; gewendet haben
er wird gewandt; gewendet haben
wir werden gewandt; gewendet haben
ihr werdet gewandt; gewendet haben
sie; Sie werden gewandt; gewendet haben

Konjunktiv I Präsens
ich wende
du wendest
er wende
wir wenden
ihr wendet
sie; Sie wenden

Konjunktiv I Perfekt
ich habe gewandt; gewendet
du habest gewandt; gewendet
er habe gewandt; gewendet
wir haben gewandt; gewendet
ihr habet gewandt; gewendet
sie; Sie haben gewandt; gewendet

Konjunktiv II Präsens
ich wendete
du wendetest
er wendete
wir wendeten
ihr wendetet
sie; Sie wendeten

Konjunktiv II Perfekt
ich hätte gewandt; gewendet
du hättest gewandt; gewendet
er hätte gewandt; gewendet
wir hätten gewandt; gewendet
ihr hättet gewandt; gewendet
sie; Sie hätten gewandt; gewendet

Konjunktiv II Futur I
ich würde wenden
du würdest wenden
er würde wenden
wir würden wenden
ihr würdet wenden
sie; Sie würden wenden

Konjunktiv II Futur II
ich würde gewandt; gewendet haben
du würdest gewandt; gewendet haben
er würde gewandt; gewendet haben
wir würden gewandt; gewendet haben
ihr würdet gewandt; gewendet haben
sie; Sie würden gewandt; gewendet haben

der Imperativ
du wende


Voorbeelden

  1. Wohin nur wend ich mich?
    Ik weet niet waar ik heen moet.


NL: wennen

U: Vervoeg zoals `jij`. Men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`.

Voltooid deelwoord
gewend

Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
ik wen
jij went
hij went
wij wennen
jullie wennen
zij wennen

Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik ben gewend
jij bent gewend
hij is gewend
wij zijn gewend
jullie zijn gewend
zij zijn gewend

Onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik wende
jij wende
hij wende
wij wenden
jullie wenden
zij wenden

Voltooid verleden tijd (vvt)
ik was gewend
jij was gewend
hij was gewend
wij waren gewend
jullie waren gewend
zij waren gewend

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal wennen
jij zult wennen
hij zal wennen
wij zullen wennen
jullie zullen wennen
zij zullen wennen

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal gewend zijn
jij zult gewend zijn
hij zal gewend zijn
wij zullen gewend zijn
jullie zullen gewend zijn
zij zullen gewend zijn

Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou wennen
jij zou wennen
hij zou wennen
wij zouden wennen
jullie zouden wennen
zij zouden wennen

Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou gewend zijn
jij zou gewend zijn
hij zou gewend zijn
wij zouden gewend zijn
jullie zouden gewend zijn
zij zouden gewend zijn

Gebiedende wijs
wen


Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden


Duitse werkwoorden


Engelse werkwoorden


Franse werkwoorden


Spaanse werkwoorden