NL: componeren U: Vervoeg zoals `jij`. Men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`.
|
| Voltooid deelwoord |
gecomponeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
ik componeer jij componeert hij componeert wij componeren jullie componeren zij componeren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
ik heb gecomponeerd jij hebt gecomponeerd hij heeft gecomponeerd wij hebben gecomponeerd jullie hebben gecomponeerd zij hebben gecomponeerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
ik componeerde jij componeerde hij componeerde wij componeerden jullie componeerden zij componeerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
ik had gecomponeerd jij had gecomponeerd hij had gecomponeerd wij hadden gecomponeerd jullie hadden gecomponeerd zij hadden gecomponeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
ik zal componeren jij zult componeren hij zal componeren wij zullen componeren jullie zullen componeren zij zullen componeren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
ik zal gecomponeerd hebben jij zult gecomponeerd hebben hij zal gecomponeerd hebben wij zullen gecomponeerd hebben jullie zullen gecomponeerd hebben zij zullen gecomponeerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
ik zou componeren jij zou componeren hij zou componeren wij zouden componeren jullie zouden componeren zij zouden componeren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
ik zou gecomponeerd hebben jij zou gecomponeerd hebben hij zou gecomponeerd hebben wij zouden gecomponeerd hebben jullie zouden gecomponeerd hebben zij zouden gecomponeerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
componeer
|
| Aanvoegende wijs |
| componere |