Vind een (dialect)woord

Toon woorden

Op de kaart

Op deze kaart staan 31 dialectwoorden voor `Trouwen`. Zoom in of verschuif de map om ze beter te zien. Klik op een woord om de naam van het dialect te zien.
Hier zijn 10 willekeurige andere dialectwoorden : houweel (25x) : huichelaar (23x) : de volgende dag (22x) : maken (64x) : schoenveter (52x) : huid (28x) : hij heeft het zitten (22x) : velg (61x) : dikkopje (21x) : kleinigheid (31x)



33 vertalingen voor het Nederlandse woord `Trouwen`

  1. trouwen = traan (Moes)
  2. trouwen = traaën, traven (Zeels)
  3. trouwen = traan (Buggenhouts)
  4. trouwen = trawe (Antwerps)
  5. trouwen = trouw'n (Veessers)
  6. trouwen = trowwen (Budels)
  7. trouwen = tròwwe (Eys)
  8. Trouwen = Traave (Sint-Katelijne-Waver)
  9. trouwen = traave (leuvens)
  10. trouwen = traaven (Westels)
  11. Trouwen = Trave (Sint-Katelijne-Waver)
  12. trouwen = traave (Duffels)
  13. trouwen = troo-n (Hoeselts)
  14. trouwen = broetlachte (Achterhoeks)
  15. TROUWEN = wassen (Fries)
  16. trouwen = boaskje (Fries)
  17. trouwen = traave (Booms)
  18. trouwen = traan (Stekens)
  19. trouwen = treiven (Geels)
  20. Trouwen = Truiwe (Eersels)
  21. trouwen = truiwe (Brees)
  22. trouwen = traaen (Zeels)
  23. trouwen = tròò (Millers)
  24. Trouwen = Heiraten (Amsterdams)
  25. trouwen = traan (Lebbeeks)
  26. Trouwen = Traan (Bornems)
  27. Trouwen = Traave (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
  28. trouwen = trawwe (Nieuwmoers)
  29. trouwen = traen, traad'n, getraad (Wichels)
  30. trouwen = trooë: troo, tróts, trót tródde getród (Genker)
  31. trouwen = rouwuh (Rotterdams)
  32. trouwen = trave (Rotselaars)
  33. trouwen = trouwe (ww) trouwdje - getrouwdj (Heitsers)