Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

wecken vervoegen

Vul een werkwoord of werkwoordsvorm in van een Nederlands, Duits,
Engels, Frans of Spaans werkwoord.
Bv: denken, dacht, sms'en, sein, have, avoir, être, aller, hablar





DE: wecken

NL: wecken
Synoniemen: wekken, wakker maken

DE: erwecken, aufwecken
EN: wake

U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
geweckt
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik weck
jij weckt
hij weckt
wij wecken
jullie wecken
zij wecken
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb geweckt
jij hebt geweckt
hij heeft geweckt
wij hebben geweckt
jullie hebben geweckt
zij hebben geweckt
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik weckte
jij weckte
hij weckte
wij weckten
jullie weckten
zij weckten
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had geweckt
jij had geweckt
hij had geweckt
wij hadden geweckt
jullie hadden geweckt
zij hadden geweckt
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal wecken
jij zult wecken
hij zal wecken
wij zullen wecken
jullie zullen wecken
zij zullen wecken
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal geweckt hebben
jij zult geweckt hebben
hij zal geweckt hebben
wij zullen geweckt hebben
jullie zullen geweckt hebben
zij zullen geweckt hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou wecken
jij zou wecken
hij zou wecken
wij zouden wecken
jullie zouden wecken
zij zouden wecken
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou geweckt hebben
jij zou geweckt hebben
hij zou geweckt hebben
wij zouden geweckt hebben
jullie zouden geweckt hebben
zij zouden geweckt hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
weck


DE: wecken
Synoniemen: erwecken, aufwecken

NL: wekken, wakker maken
EN: wake
Partizip Perfekt & Präsens
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II)
`komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I)
geweckt
weckend
Indikativ Präsens
der Indikativ = aantonende wijs
ich wecke
du weckst
er weckt
wir wecken
ihr weckt
sie; Sie wecken
Indikativ Perfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich habe geweckt
du hast geweckt
er hat geweckt
wir haben geweckt
ihr habt geweckt
sie; Sie haben geweckt
Indikativ Präteritum
der Indikativ = aantonende wijs
ich weckte
du wecktest
er weckte
wir weckten
ihr wecktet
sie; Sie weckten
Indikativ Plusquamperfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich hatte geweckt
du hattest geweckt
er hatte geweckt
wir hatten geweckt
ihr hattet geweckt
sie; Sie hatten geweckt
Indikativ Futur I
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde wecken
du wirst wecken
er wird wecken
wir werden wecken
ihr werdet wecken
sie; Sie werden wecken
Indikativ Futur II
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde geweckt haben
du wirst geweckt haben
er wird geweckt haben
wir werden geweckt haben
ihr werdet geweckt haben
sie; Sie werden geweckt haben
Konjunktiv I Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich wecke
du weckest
er wecke
wir wecken
ihr wecket
sie; Sie wecken
Konjunktiv I Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich habe geweckt
du habest geweckt
er habe geweckt
wir haben geweckt
ihr habet geweckt
sie; Sie haben geweckt
Konjunktiv II Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich weckte
du wecktest
er weckte
wir weckten
ihr wecktet
sie; Sie weckten
Konjunktiv II Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hätte geweckt
du hättest geweckt
er hätte geweckt
wir hätten geweckt
ihr hättet geweckt
sie; Sie hätten geweckt
Konjunktiv II Futur I
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde wecken
du würdest wecken
er würde wecken
wir würden wecken
ihr würdet wecken
sie; Sie würden wecken
Konjunktiv II Futur II
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde geweckt haben
du würdest geweckt haben
er würde geweckt haben
wir würden geweckt haben
ihr würdet geweckt haben
sie; Sie würden geweckt haben
der Imperativ
der Imperativ = gebiedende wijs
du wecke

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/wecken

Werkwoorden A tot (en met) Z



Nederlandse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Duitse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Engelse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Franse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Spaanse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z



© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English