NL: veilenDE: versteigern, auktionieren
EN: auction, sell by auction
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geveild
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik veil jij veilt hij veilt wij veilen jullie veilen zij veilen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geveild jij hebt geveild hij heeft geveild wij hebben geveild jullie hebben geveild zij hebben geveild
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik veilde jij veilde hij veilde wij veilden jullie veilden zij veilden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geveild jij had geveild hij had geveild wij hadden geveild jullie hadden geveild zij hadden geveild
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal veilen jij zult veilen hij zal veilen wij zullen veilen jullie zullen veilen zij zullen veilen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geveild hebben jij zult geveild hebben hij zal geveild hebben wij zullen geveild hebben jullie zullen geveild hebben zij zullen geveild hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou veilen jij zou veilen hij zou veilen wij zouden veilen jullie zouden veilen zij zouden veilen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geveild hebben jij zou geveild hebben hij zou geveild hebben wij zouden geveild hebben jullie zouden geveild hebben zij zouden geveild hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
veil
|