NL: uitglijdenSynoniemen: glibberen, onderuitgaan, slippen, struikelen, wegglijden, wegschieten, uitschuiven, uitschieten, uitglibberen
DE: das Ausrutschen, das Ausgleiten
EN: the slipping, the skidding
ES: el resbalar
FR: le fait de glisser
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
uitgegleden
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik glijd; glij uit jij glijdt uit hij glijdt uit wij glijden uit jullie glijden uit zij glijden uit
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb uitgegleden jij hebt uitgegleden hij heeft uitgegleden wij hebben uitgegleden jullie hebben uitgegleden zij hebben uitgegleden
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik gleed uit jij gleed uit hij gleed uit wij gleden uit jullie gleden uit zij gleden uit
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had uitgegleden jij had uitgegleden hij had uitgegleden wij hadden uitgegleden jullie hadden uitgegleden zij hadden uitgegleden
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal uitglijden jij zult uitglijden hij zal uitglijden wij zullen uitglijden jullie zullen uitglijden zij zullen uitglijden
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal uitgegleden hebben jij zult uitgegleden hebben hij zal uitgegleden hebben wij zullen uitgegleden hebben jullie zullen uitgegleden hebben zij zullen uitgegleden hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou uitglijden jij zou uitglijden hij zou uitglijden wij zouden uitglijden jullie zouden uitglijden zij zouden uitglijden
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou uitgegleden hebben jij zou uitgegleden hebben hij zou uitgegleden hebben wij zouden uitgegleden hebben jullie zouden uitgegleden hebben zij zouden uitgegleden hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
glijd; glij uit
|