NL: terugkaatsenSynoniemen: reflecteren, stuiten, weerkaatsen, weerspiegelen, ricocheren, afstuiten, afketsen, terugstoten, echoën
DE: resonieren, erhallen, widerhallen, echoen
EN: reverberate, reflect, strike back, echo
ES: repercutir, reflejar
FR: retentir, résonner
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
teruggekaatst
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik kaats terug jij kaatst terug hij kaatst terug wij kaatsen terug jullie kaatsen terug zij kaatsen terug
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb teruggekaatst jij hebt teruggekaatst hij heeft teruggekaatst wij hebben teruggekaatst jullie hebben teruggekaatst zij hebben teruggekaatst
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik kaatste terug jij kaatste terug hij kaatste terug wij kaatsten terug jullie kaatsten terug zij kaatsten terug
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had teruggekaatst jij had teruggekaatst hij had teruggekaatst wij hadden teruggekaatst jullie hadden teruggekaatst zij hadden teruggekaatst
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal terugkaatsen jij zult terugkaatsen hij zal terugkaatsen wij zullen terugkaatsen jullie zullen terugkaatsen zij zullen terugkaatsen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal teruggekaatst hebben jij zult teruggekaatst hebben hij zal teruggekaatst hebben wij zullen teruggekaatst hebben jullie zullen teruggekaatst hebben zij zullen teruggekaatst hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou terugkaatsen jij zou terugkaatsen hij zou terugkaatsen wij zouden terugkaatsen jullie zouden terugkaatsen zij zouden terugkaatsen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou teruggekaatst hebben jij zou teruggekaatst hebben hij zou teruggekaatst hebben wij zouden teruggekaatst hebben jullie zouden teruggekaatst hebben zij zouden teruggekaatst hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
kaats terug
|