NL: stranden U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gestrand
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik strand jij strandt hij strandt wij stranden jullie stranden zij stranden
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gestrand jij hebt gestrand hij heeft gestrand wij hebben gestrand jullie hebben gestrand zij hebben gestrand
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik strandde jij strandde hij strandde wij strandden jullie strandden zij strandden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gestrand jij had gestrand hij had gestrand wij hadden gestrand jullie hadden gestrand zij hadden gestrand
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal stranden jij zult stranden hij zal stranden wij zullen stranden jullie zullen stranden zij zullen stranden
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gestrand hebben jij zult gestrand hebben hij zal gestrand hebben wij zullen gestrand hebben jullie zullen gestrand hebben zij zullen gestrand hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou stranden jij zou stranden hij zou stranden wij zouden stranden jullie zouden stranden zij zouden stranden
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gestrand hebben jij zou gestrand hebben hij zou gestrand hebben wij zouden gestrand hebben jullie zouden gestrand hebben zij zouden gestrand hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
strand
|
DE: stranden| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gestrandet strandend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich strande du strandest er strandet wir stranden ihr strandet sie; Sie stranden
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gestrandet du hast gestrandet er hat gestrandet wir haben gestrandet ihr habt gestrandet sie; Sie haben gestrandet
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich strandete du strandetest er strandete wir strandeten ihr strandetet sie; Sie strandeten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gestrandet du hattest gestrandet er hatte gestrandet wir hatten gestrandet ihr hattet gestrandet sie; Sie hatten gestrandet
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde stranden du wirst stranden er wird stranden wir werden stranden ihr werdet stranden sie; Sie werden stranden
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gestrandet haben du wirst gestrandet haben er wird gestrandet haben wir werden gestrandet haben ihr werdet gestrandet haben sie; Sie werden gestrandet haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich strande du strandest er strande wir stranden ihr strandet sie; Sie stranden
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gestrandet du habest gestrandet er habe gestrandet wir haben gestrandet ihr habet gestrandet sie; Sie haben gestrandet
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich strandete du strandetest er strandete wir strandeten ihr strandetet sie; Sie strandeten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gestrandet du hättest gestrandet er hätte gestrandet wir hätten gestrandet ihr hättet gestrandet sie; Sie hätten gestrandet
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde stranden du würdest stranden er würde stranden wir würden stranden ihr würdet stranden sie; Sie würden stranden
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gestrandet haben du würdest gestrandet haben er würde gestrandet haben wir würden gestrandet haben ihr würdet gestrandet haben sie; Sie würden gestrandet haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du strande
|