NL: snappenSynoniemen: babbelen, betrappen, happen, begrijpen, inzien, vatten, verrassen
DE: snappen (betrappen): schnappen, ertappen, fangen, fassen, erfassen, erwischen, ergreifen
EN: snappen (betrappen): catch, snatch, sneak up on, seize, twig, take unaware, tattle
ES: snappen (betrappen): comprender, detener, coger, pillar, trabar, fascinar, entender, sorprender, tomar, recoger
FR: snappen (betrappen): surprendre, attraper, choper, piquer, suprendre à
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gesnapt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik snap jij snapt hij snapt wij snappen jullie snappen zij snappen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gesnapt jij hebt gesnapt hij heeft gesnapt wij hebben gesnapt jullie hebben gesnapt zij hebben gesnapt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik snapte jij snapte hij snapte wij snapten jullie snapten zij snapten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gesnapt jij had gesnapt hij had gesnapt wij hadden gesnapt jullie hadden gesnapt zij hadden gesnapt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal snappen jij zult snappen hij zal snappen wij zullen snappen jullie zullen snappen zij zullen snappen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gesnapt hebben jij zult gesnapt hebben hij zal gesnapt hebben wij zullen gesnapt hebben jullie zullen gesnapt hebben zij zullen gesnapt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou snappen jij zou snappen hij zou snappen wij zouden snappen jullie zouden snappen zij zouden snappen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gesnapt hebben jij zou gesnapt hebben hij zou gesnapt hebben wij zouden gesnapt hebben jullie zouden gesnapt hebben zij zouden gesnapt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
snap
|