NL: smakenSynoniemen: beleven, bevallen, lekker zijn, proeven, zwemen
DE: smaken (proeven): schmecken, prüfen
EN: smaken (proeven): taste, try
ES: smaken (proeven): probar, gustar
FR: smaken (proeven): goûter, déguster, savourer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gesmaakt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik smaak jij smaakt hij smaakt wij smaken jullie smaken zij smaken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gesmaakt jij hebt gesmaakt hij heeft gesmaakt wij hebben gesmaakt jullie hebben gesmaakt zij hebben gesmaakt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik smaakte jij smaakte hij smaakte wij smaakten jullie smaakten zij smaakten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gesmaakt jij had gesmaakt hij had gesmaakt wij hadden gesmaakt jullie hadden gesmaakt zij hadden gesmaakt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal smaken jij zult smaken hij zal smaken wij zullen smaken jullie zullen smaken zij zullen smaken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gesmaakt hebben jij zult gesmaakt hebben hij zal gesmaakt hebben wij zullen gesmaakt hebben jullie zullen gesmaakt hebben zij zullen gesmaakt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou smaken jij zou smaken hij zou smaken wij zouden smaken jullie zouden smaken zij zouden smaken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gesmaakt hebben jij zou gesmaakt hebben hij zou gesmaakt hebben wij zouden gesmaakt hebben jullie zouden gesmaakt hebben zij zouden gesmaakt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
smaak
|