NL: racenSynoniemen: jakkeren, motorracen, pezen, razen, rennen, scheuren, hollen
DE: rennen, ein Rennen fahren
EN: race, run a race
ES: correr con motocicleta
FR: faire de la vitesse, courir, foncer, faire de la course
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geracet
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik race jij racet hij racet wij racen jullie racen zij racen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geracet jij hebt geracet hij heeft geracet wij hebben geracet jullie hebben geracet zij hebben geracet
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik racete jij racete hij racete wij raceten jullie raceten zij raceten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geracet jij had geracet hij had geracet wij hadden geracet jullie hadden geracet zij hadden geracet
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal racen jij zult racen hij zal racen wij zullen racen jullie zullen racen zij zullen racen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geracet hebben jij zult geracet hebben hij zal geracet hebben wij zullen geracet hebben jullie zullen geracet hebben zij zullen geracet hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou racen jij zou racen hij zou racen wij zouden racen jullie zouden racen zij zouden racen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geracet hebben jij zou geracet hebben hij zou geracet hebben wij zouden geracet hebben jullie zouden geracet hebben zij zouden geracet hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
race
|