NL: plannenSynoniemen: uitstippelen
DE: planen, ausdenken, ausklügeln, austüfteln, sich ausdenken
EN: plan, contrive, set up, devise, plot
ES: planear, planificar, programar
FR: planifier, prévoir, projeter, organiser, envisager, tramer, concevoir, imaginer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gepland
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik plan jij plant hij plant wij plannen jullie plannen zij plannen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gepland jij hebt gepland hij heeft gepland wij hebben gepland jullie hebben gepland zij hebben gepland
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik plande jij plande hij plande wij planden jullie planden zij planden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gepland jij had gepland hij had gepland wij hadden gepland jullie hadden gepland zij hadden gepland
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal plannen jij zult plannen hij zal plannen wij zullen plannen jullie zullen plannen zij zullen plannen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gepland hebben jij zult gepland hebben hij zal gepland hebben wij zullen gepland hebben jullie zullen gepland hebben zij zullen gepland hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou plannen jij zou plannen hij zou plannen wij zouden plannen jullie zouden plannen zij zouden plannen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gepland hebben jij zou gepland hebben hij zou gepland hebben wij zouden gepland hebben jullie zouden gepland hebben zij zouden gepland hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
plan
|