NL: pianospelen U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
pianogespeeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik speel piano jij speelt piano hij speelt piano wij spelen piano jullie spelen piano zij spelen piano
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb pianogespeeld jij hebt pianogespeeld hij heeft pianogespeeld wij hebben pianogespeeld jullie hebben pianogespeeld zij hebben pianogespeeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik speelde piano jij speelde piano hij speelde piano wij speelden piano jullie speelden piano zij speelden piano
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had pianogespeeld jij had pianogespeeld hij had pianogespeeld wij hadden pianogespeeld jullie hadden pianogespeeld zij hadden pianogespeeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal pianospelen jij zult pianospelen hij zal pianospelen wij zullen pianospelen jullie zullen pianospelen zij zullen pianospelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal pianogespeeld hebben jij zult pianogespeeld hebben hij zal pianogespeeld hebben wij zullen pianogespeeld hebben jullie zullen pianogespeeld hebben zij zullen pianogespeeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou pianospelen jij zou pianospelen hij zou pianospelen wij zouden pianospelen jullie zouden pianospelen zij zouden pianospelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou pianogespeeld hebben jij zou pianogespeeld hebben hij zou pianogespeeld hebben wij zouden pianogespeeld hebben jullie zouden pianogespeeld hebben zij zouden pianogespeeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
speel piano
|