NL: melkenSynoniemen: melken
EN: milk
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gemolken
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik melk jij melkt hij melkt wij melken jullie melken zij melken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gemolken jij hebt gemolken hij heeft gemolken wij hebben gemolken jullie hebben gemolken zij hebben gemolken
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik molk jij molk hij molk wij molken jullie molken zij molken
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gemolken jij had gemolken hij had gemolken wij hadden gemolken jullie hadden gemolken zij hadden gemolken
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal melken jij zult melken hij zal melken wij zullen melken jullie zullen melken zij zullen melken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gemolken hebben jij zult gemolken hebben hij zal gemolken hebben wij zullen gemolken hebben jullie zullen gemolken hebben zij zullen gemolken hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou melken jij zou melken hij zou melken wij zouden melken jullie zouden melken zij zouden melken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gemolken hebben jij zou gemolken hebben hij zou gemolken hebben wij zouden gemolken hebben jullie zouden gemolken hebben zij zouden gemolken hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
melk
|
DE: melkenNL: melken
EN: milk
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gemolken; gemelkt melkend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich melke du milkst er milkt wir melken ihr melkt sie; Sie melken
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gemolken; gemelkt du hast gemolken; gemelkt er hat gemolken; gemelkt wir haben gemolken; gemelkt ihr habt gemolken; gemelkt sie; Sie haben gemolken; gemelkt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich molk; melkte du molkst; melktest er molk; melkte wir molken; melkten ihr molkt; melktet sie; Sie molken; melkten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gemolken; gemelkt du hattest gemolken; gemelkt er hatte gemolken; gemelkt wir hatten gemolken; gemelkt ihr hattet gemolken; gemelkt sie; Sie hatten gemolken; gemelkt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde melken du wirst melken er wird melken wir werden melken ihr werdet melken sie; Sie werden melken
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gemolken; gemelkt haben du wirst gemolken; gemelkt haben er wird gemolken; gemelkt haben wir werden gemolken; gemelkt haben ihr werdet gemolken; gemelkt haben sie; Sie werden gemolken; gemelkt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich melke du melkest er melke wir melken ihr melket sie; Sie melken
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gemolken; gemelkt du habest gemolken; gemelkt er habe gemolken; gemelkt wir haben gemolken; gemelkt ihr habet gemolken; gemelkt sie; Sie haben gemolken; gemelkt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich mölke du mölkest er mölke wir mölken ihr mölket sie; Sie mölken
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gemolken; gemelkt du hättest gemolken; gemelkt er hätte gemolken; gemelkt wir hätten gemolken; gemelkt ihr hättet gemolken; gemelkt sie; Sie hätten gemolken; gemelkt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde melken du würdest melken er würde melken wir würden melken ihr würdet melken sie; Sie würden melken
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gemolken; gemelkt haben du würdest gemolken; gemelkt haben er würde gemolken; gemelkt haben wir würden gemolken; gemelkt haben ihr würdet gemolken; gemelkt haben sie; Sie würden gemolken; gemelkt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du milk
|