NL: luilakkenSynoniemen: luieren, luilak vieren, uitslapen
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geluilakt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik luilak jij luilakt hij luilakt wij luilakken jullie luilakken zij luilakken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geluilakt jij hebt geluilakt hij heeft geluilakt wij hebben geluilakt jullie hebben geluilakt zij hebben geluilakt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik luilakte jij luilakte hij luilakte wij luilakten jullie luilakten zij luilakten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geluilakt jij had geluilakt hij had geluilakt wij hadden geluilakt jullie hadden geluilakt zij hadden geluilakt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal luilakken jij zult luilakken hij zal luilakken wij zullen luilakken jullie zullen luilakken zij zullen luilakken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geluilakt hebben jij zult geluilakt hebben hij zal geluilakt hebben wij zullen geluilakt hebben jullie zullen geluilakt hebben zij zullen geluilakt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou luilakken jij zou luilakken hij zou luilakken wij zouden luilakken jullie zouden luilakken zij zouden luilakken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geluilakt hebben jij zou geluilakt hebben hij zou geluilakt hebben wij zouden geluilakt hebben jullie zouden geluilakt hebben zij zouden geluilakt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
luilak
|