NL: kapotgaanSynoniemen: stukgaan, sterven, overlijden, omkomen, doodgaan
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
kapotgegaan
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik ga kapot jij gaat kapot hij gaat kapot wij gaan kapot jullie gaan kapot zij gaan kapot
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik ben kapotgegaan jij bent kapotgegaan hij is kapotgegaan wij zijn kapotgegaan jullie zijn kapotgegaan zij zijn kapotgegaan
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik ging kapot jij ging kapot hij ging kapot wij gingen kapot jullie gingen kapot zij gingen kapot
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik was kapotgegaan jij was kapotgegaan hij was kapotgegaan wij waren kapotgegaan jullie waren kapotgegaan zij waren kapotgegaan
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal kapotgaan jij zult kapotgaan hij zal kapotgaan wij zullen kapotgaan jullie zullen kapotgaan zij zullen kapotgaan
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal kapotgegaan zijn jij zult kapotgegaan zijn hij zal kapotgegaan zijn wij zullen kapotgegaan zijn jullie zullen kapotgegaan zijn zij zullen kapotgegaan zijn
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou kapotgaan jij zou kapotgaan hij zou kapotgaan wij zouden kapotgaan jullie zouden kapotgaan zij zouden kapotgaan
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou kapotgegaan zijn jij zou kapotgegaan zijn hij zou kapotgegaan zijn wij zouden kapotgegaan zijn jullie zouden kapotgegaan zijn zij zouden kapotgegaan zijn
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
ga kapot
|