NL: juichenSynoniemen: joelen, jubelen
DE: jauchzen, schreien, toben, jubeln, johlen, herausschreien, lautauf schreien
EN: jubilate, shout, exult
ES: vitorear, vociferar
FR: triompher, exulter, déborder de joie, pousser des cris de joie
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gejuicht
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik juich jij juicht hij juicht wij juichen jullie juichen zij juichen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gejuicht jij hebt gejuicht hij heeft gejuicht wij hebben gejuicht jullie hebben gejuicht zij hebben gejuicht
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik juichte jij juichte hij juichte wij juichten jullie juichten zij juichten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gejuicht jij had gejuicht hij had gejuicht wij hadden gejuicht jullie hadden gejuicht zij hadden gejuicht
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal juichen jij zult juichen hij zal juichen wij zullen juichen jullie zullen juichen zij zullen juichen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gejuicht hebben jij zult gejuicht hebben hij zal gejuicht hebben wij zullen gejuicht hebben jullie zullen gejuicht hebben zij zullen gejuicht hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou juichen jij zou juichen hij zou juichen wij zouden juichen jullie zouden juichen zij zouden juichen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gejuicht hebben jij zou gejuicht hebben hij zou gejuicht hebben wij zouden gejuicht hebben jullie zouden gejuicht hebben zij zouden gejuicht hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
juich
|