NL: heffenSynoniemen: eisen, optillen, opheffen, hijsen, tillen, omhoogheffen, lichten
DE: aufholen, hochheben, aufbringen, emporheben, aufziehen, hochziehen
EN: raise, heave, lift, lift up
ES: elevar, levantar, alzar
FR: lever, soulever, hisser
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geheven
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik hef jij heft hij heft wij heffen jullie heffen zij heffen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geheven jij hebt geheven hij heeft geheven wij hebben geheven jullie hebben geheven zij hebben geheven
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik hief jij hief hij hief wij hieven jullie hieven zij hieven
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geheven jij had geheven hij had geheven wij hadden geheven jullie hadden geheven zij hadden geheven
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal heffen jij zult heffen hij zal heffen wij zullen heffen jullie zullen heffen zij zullen heffen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geheven hebben jij zult geheven hebben hij zal geheven hebben wij zullen geheven hebben jullie zullen geheven hebben zij zullen geheven hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou heffen jij zou heffen hij zou heffen wij zouden heffen jullie zouden heffen zij zouden heffen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geheven hebben jij zou geheven hebben hij zou geheven hebben wij zouden geheven hebben jullie zouden geheven hebben zij zouden geheven hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
hef
|