NL: harkenSynoniemen: aanharken
EN: rake
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geharkt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik hark jij harkt hij harkt wij harken jullie harken zij harken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geharkt jij hebt geharkt hij heeft geharkt wij hebben geharkt jullie hebben geharkt zij hebben geharkt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik harkte jij harkte hij harkte wij harkten jullie harkten zij harkten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geharkt jij had geharkt hij had geharkt wij hadden geharkt jullie hadden geharkt zij hadden geharkt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal harken jij zult harken hij zal harken wij zullen harken jullie zullen harken zij zullen harken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geharkt hebben jij zult geharkt hebben hij zal geharkt hebben wij zullen geharkt hebben jullie zullen geharkt hebben zij zullen geharkt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou harken jij zou harken hij zou harken wij zouden harken jullie zouden harken zij zouden harken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geharkt hebben jij zou geharkt hebben hij zou geharkt hebben wij zouden geharkt hebben jullie zouden geharkt hebben zij zouden geharkt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
hark
|
EN: to harkenSynoniemen: rake
NL: aanharken
| Gerund |
| De Gerund is een ing-vorm die zelfstandig gebruikt kan worden. |
harkening
|
| Present simple (ott) |
| Tegenwoordige tijd zonder ing-vorm. |
I harken you harken he harkens we harken you harken they harken
|
| Present perfect (vtt) |
| Have/has + voltooid deelwoord / voltooid tegenwoordige tijd. |
I have harkened you have harkened he has harkened we have harkened you have harkened they have harkened
|
| Past Simple (ovt) |
| Verleden tijd zonder �ing vorm |
I harkened you harkened he harkened we harkened you harkened they harkened
|
| Past perfect (vvt) |
| Had + voltooid deelwoord / voltooid verleden tijd |
I had harkened you had harkened he had harkened we had harkened you had harkened they had harkened
|
| Present future (ottt) |
| Toekomst. Shall / Will + hele werkwoord |
I will harken you will harken he will harken we will harken you will harken they will harken
|
| Present future perfect (vttt) |
| Shall / Will + have + voltooid deelwoord. Het wordt gebruikt om aan te geven dat iets is afgerond op een nader tijdstip in de toekomst. |
I will have harkened you will have harkened he will have harkened we will have harkened you will have harkened they will have harkened
|
| Past future (ovtt) |
| Altijd gevormd door: should/would + inf. Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
I would harken you would harken he would harken we would harken you would harken they would harken
|
| Past future perfect (vvtt) |
| Altijd gevormd door: should/would + have + volt. dw. Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
I would have harkened you would have harkened he would have harkened we would have harkened you would have harkened they would have harkened
|
DE: harkenNL: aanharken
EN: rake
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
geharkt harkend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich harke du harkst er harkt wir harken ihr harkt sie; Sie harken
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe geharkt du hast geharkt er hat geharkt wir haben geharkt ihr habt geharkt sie; Sie haben geharkt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich harkte du harktest er harkte wir harkten ihr harktet sie; Sie harkten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte geharkt du hattest geharkt er hatte geharkt wir hatten geharkt ihr hattet geharkt sie; Sie hatten geharkt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde harken du wirst harken er wird harken wir werden harken ihr werdet harken sie; Sie werden harken
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde geharkt haben du wirst geharkt haben er wird geharkt haben wir werden geharkt haben ihr werdet geharkt haben sie; Sie werden geharkt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich harke du harkest er harke wir harken ihr harket sie; Sie harken
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe geharkt du habest geharkt er habe geharkt wir haben geharkt ihr habet geharkt sie; Sie haben geharkt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich harkte du harktest er harkte wir harkten ihr harktet sie; Sie harkten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte geharkt du hättest geharkt er hätte geharkt wir hätten geharkt ihr hättet geharkt sie; Sie hätten geharkt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde harken du würdest harken er würde harken wir würden harken ihr würdet harken sie; Sie würden harken
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde geharkt haben du würdest geharkt haben er würde geharkt haben wir würden geharkt haben ihr würdet geharkt haben sie; Sie würden geharkt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du harke
|