NL: genezenSynoniemen: beter, hersteld, aankomen, cureren, helen, helpen, herstellen, beteren
DE: gesund
EN: cured
ES: recuperado
FR: réparé
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
genezen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik genees jij geneest hij geneest wij genezen jullie genezen zij genezen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb genezen jij hebt genezen hij heeft genezen wij hebben genezen jullie hebben genezen zij hebben genezen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik genas jij genas hij genas wij genazen jullie genazen zij genazen
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had genezen jij had genezen hij had genezen wij hadden genezen jullie hadden genezen zij hadden genezen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal genezen jij zult genezen hij zal genezen wij zullen genezen jullie zullen genezen zij zullen genezen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal genezen hebben jij zult genezen hebben hij zal genezen hebben wij zullen genezen hebben jullie zullen genezen hebben zij zullen genezen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou genezen jij zou genezen hij zou genezen wij zouden genezen jullie zouden genezen zij zouden genezen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou genezen hebben jij zou genezen hebben hij zou genezen hebben wij zouden genezen hebben jullie zouden genezen hebben zij zouden genezen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
genees
|