| Vervoegen: gedijen |
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
| gedijd |
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
| ik gedij jij gedijt hij gedijt wij gedijen jullie gedijen zij gedijen |
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
| ik heb gedijd jij hebt gedijd hij heeft gedijd wij hebben gedijd jullie hebben gedijd zij hebben gedijd |
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
| ik gedijde jij gedijde hij gedijde wij gedijden jullie gedijden zij gedijden |
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
| ik had gedijd jij had gedijd hij had gedijd wij hadden gedijd jullie hadden gedijd zij hadden gedijd |
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
| ik zal gedijen jij zult gedijen hij zal gedijen wij zullen gedijen jullie zullen gedijen zij zullen gedijen |
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
| ik zal gedijd hebben jij zult gedijd hebben hij zal gedijd hebben wij zullen gedijd hebben jullie zullen gedijd hebben zij zullen gedijd hebben |
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
| ik zou gedijen jij zou gedijen hij zou gedijen wij zouden gedijen jullie zouden gedijen zij zouden gedijen |
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
| ik zou gedijd hebben jij zou gedijd hebben hij zou gedijd hebben wij zouden gedijd hebben jullie zouden gedijd hebben zij zouden gedijd hebben |
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
| gedij |