NL: feestvierenSynoniemen: celebreren, fuiven, vieren, feesten
DE: feestvieren (celebreren): feiern, zelebrieren, einFestfeiern
EN: feestvieren (celebreren): celebrate, party, feast
ES: feestvieren (celebreren): celebrar, festejar, celebrar una fiesta, estar de fiesta, conmemorar, ir de fiesta, ir de juerga
FR: feestvieren (celebreren): célébrer, fêter, faire la fête, festoyer
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
feestgevierd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vier feest jij viert feest hij viert feest wij vieren feest jullie vieren feest zij vieren feest
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb feestgevierd jij hebt feestgevierd hij heeft feestgevierd wij hebben feestgevierd jullie hebben feestgevierd zij hebben feestgevierd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik vierde feest jij vierde feest hij vierde feest wij vierden feest jullie vierden feest zij vierden feest
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had feestgevierd jij had feestgevierd hij had feestgevierd wij hadden feestgevierd jullie hadden feestgevierd zij hadden feestgevierd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal feestvieren jij zult feestvieren hij zal feestvieren wij zullen feestvieren jullie zullen feestvieren zij zullen feestvieren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal feestgevierd hebben jij zult feestgevierd hebben hij zal feestgevierd hebben wij zullen feestgevierd hebben jullie zullen feestgevierd hebben zij zullen feestgevierd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou feestvieren jij zou feestvieren hij zou feestvieren wij zouden feestvieren jullie zouden feestvieren zij zouden feestvieren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou feestgevierd hebben jij zou feestgevierd hebben hij zou feestgevierd hebben wij zouden feestgevierd hebben jullie zouden feestgevierd hebben zij zouden feestgevierd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vier feest
|