NL: definiërenSynoniemen: definiëren, bepalen, omschrijven
DE: beschreiben, umschreiben
EN: determine, define, outline
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gedefinieerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik definieer jij definieert hij definieert wij definiëren jullie definiëren zij definiëren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gedefinieerd jij hebt gedefinieerd hij heeft gedefinieerd wij hebben gedefinieerd jullie hebben gedefinieerd zij hebben gedefinieerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik definieerde jij definieerde hij definieerde wij definieerden jullie definieerden zij definieerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gedefinieerd jij had gedefinieerd hij had gedefinieerd wij hadden gedefinieerd jullie hadden gedefinieerd zij hadden gedefinieerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal definiëren jij zult definiëren hij zal definiëren wij zullen definiëren jullie zullen definiëren zij zullen definiëren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gedefinieerd hebben jij zult gedefinieerd hebben hij zal gedefinieerd hebben wij zullen gedefinieerd hebben jullie zullen gedefinieerd hebben zij zullen gedefinieerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou definiëren jij zou definiëren hij zou definiëren wij zouden definiëren jullie zouden definiëren zij zouden definiëren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gedefinieerd hebben jij zou gedefinieerd hebben hij zou gedefinieerd hebben wij zouden gedefinieerd hebben jullie zouden gedefinieerd hebben zij zouden gedefinieerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
definieer
|
DE: definierenSynoniemen: beschreiben, umschreiben
NL: definiëren, bepalen, omschrijven
EN: determine, define, outline
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
definiert definierend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich definiere du definierst er definiert wir definieren ihr definiert sie; Sie definieren
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe definiert du hast definiert er hat definiert wir haben definiert ihr habt definiert sie; Sie haben definiert
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich definierte du definiertest er definierte wir definierten ihr definiertet sie; Sie definierten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte definiert du hattest definiert er hatte definiert wir hatten definiert ihr hattet definiert sie; Sie hatten definiert
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde definieren du wirst definieren er wird definieren wir werden definieren ihr werdet definieren sie; Sie werden definieren
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde definiert haben du wirst definiert haben er wird definiert haben wir werden definiert haben ihr werdet definiert haben sie; Sie werden definiert haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich definiere du definierest er definiere wir definieren ihr definieret sie; Sie definieren
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe definiert du habest definiert er habe definiert wir haben definiert ihr habet definiert sie; Sie haben definiert
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich definierte du definiertest er definierte wir definierten ihr definiertet sie; Sie definierten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte definiert du hättest definiert er hätte definiert wir hätten definiert ihr hättet definiert sie; Sie hätten definiert
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde definieren du würdest definieren er würde definieren wir würden definieren ihr würdet definieren sie; Sie würden definieren
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde definiert haben du würdest definiert haben er würde definiert haben wir würden definiert haben ihr würdet definiert haben sie; Sie würden definiert haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du definiere
|