NL: bevelenSynoniemen: aanschrijven, commanderen, gebieden, gelasten, opdragen, ordonneren, verordenen, verordonneren, zeggen, , decreteren, voorschrijven, dicteren
DE: gebieten, befehlen, auftragen, kommandieren, beauftragen, erlassen, herrschen, beherrschen, regieren
EN: order, command, charge
ES: ordenar, mandar, decretar, dar orden de
FR: ordonner, décréter, sommer, dévouer, commander, obliger à, charger, diriger, assigner, régir
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
bevolen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik beveel jij beveelt hij beveelt wij bevelen jullie bevelen zij bevelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb bevolen jij hebt bevolen hij heeft bevolen wij hebben bevolen jullie hebben bevolen zij hebben bevolen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik beval jij beval hij beval wij bevalen jullie bevalen zij bevalen
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had bevolen jij had bevolen hij had bevolen wij hadden bevolen jullie hadden bevolen zij hadden bevolen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal bevelen jij zult bevelen hij zal bevelen wij zullen bevelen jullie zullen bevelen zij zullen bevelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal bevolen hebben jij zult bevolen hebben hij zal bevolen hebben wij zullen bevolen hebben jullie zullen bevolen hebben zij zullen bevolen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou bevelen jij zou bevelen hij zou bevelen wij zouden bevelen jullie zouden bevelen zij zouden bevelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou bevolen hebben jij zou bevolen hebben hij zou bevolen hebben wij zouden bevolen hebben jullie zouden bevolen hebben zij zouden bevolen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
beveel
|